2de zondag van de veertigdagentijd – 1 maart 2026
bij Mt 17,1-9 uit Augustinus’ sermo 78,2-3
De Heer Jezus begon te stralen als de zon, zijn kleed werd wit als sneeuw en Mozes en Elia spraken met Hem (Mt 17,2-3). Jezus straalde, ja, Jezus zelf straalde als de zon, om duidelijk te maken dat Hij het licht is dat de mensen verlicht, wanneer ze in de wereld komen (Joh 1,9 en 8,12). Wat de gewone zon voor de ogen is, is deze zon voor het hart.
Zijn kleed is de kerk. En als een kleed niet op zijn plaats gehouden wordt door degene die het aanheeft, valt het op de grond. Van dat kleed was Paulus eigenlijk de onderste rand, de zoom. Paulus zegt zelf: “Ik ben de minste van de apostelen.” (1 Kor 15,9) En ergens anders: “Ik ben de laatste van de apostelen.” (1 Kor 15,8) De onderste rand van een kleed is de zoom. En de vrouw die aan bloedvloeiing leed, werd gered toen ze de zoom van het kleed van de Heer had aangeraakt (Mt 9,20-22). Zo werd ook de kerk die uit de heidenen kwam, gered door de verkondiging van Paulus.
Is het vreemd om de kerk aan te duiden met een stralend wit kleed? Bij de profeet Jesaja hoort u de Heer toch zeggen: “Ook al waren uw zonden als scharlaken, Ik zal ze wit maken als sneeuw?” (Js 1,18) Hoe krijgen de wet en de profeten, dat wil zeggen Mozes en Elia, betekenis? Door het gesprek met de Heer. Als ze niet van de Heer zouden getuigen, wie zou de wet dan nog lezen? Of de profeten? Kijk eens hoe kernachtig de apostel Paulus het formuleert: “De wet doet alleen maar de zonde kennen. Nu is echter, buiten de wet om, Gods gerechtigheid openbaar geworden,” (Rom 3,20-21) de zon, “waarvan de wet en de profeten getuigenis afleggen,” (Rom 3,21) het stralen.
Dat is wat Petrus ziet. En omdat hij als mens alleen maar de menselijke kant ervan kan aanvoelen, zegt hij: “Heer, het is goed dat wij hier zijn.” (Mt 17,4) Al die drukte om hem heen, het hing hem de keel uit. Hij had de eenzaamheid van de berg ontdekt. Daar had hij Christus, als brood voor de geest. Waarom zou hij daarvandaan gaan naar de wereld van inspanning en pijn, terwijl hij een verheven liefde voor God voelde, en daardoor goed handelde? Wat hem betrof, zat hij daar goed. Daarom voegde hij eraan toe: “Als U wilt, zal ik hier drie tenten bouwen, een voor U, een voor Mozes en een voor Elia.” (Mt 17,4)
De Heer reageerde daar niet op, maar toch kreeg Petrus een antwoord. Want nog terwijl hij die woorden sprak, kwam er een lichtende wolk die hen overschaduwde (Mt 17,5). Petrus vroeg de Heer of het drie tenten moesten worden – mensen delen elkaar nu eenmaal graag in hokjes in, maar het antwoord uit de hemel maakt ons duidelijk dat één genoeg was. Christus is het Woord van God, het Woord van God in de wet en het Woord van God in de profeten. Waarom verdelen, Petrus, en niet verbinden, dat ligt toch meer voor de hand. Waarom dat hokjesdenken en niet gewoon één tent?
Uit : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p. 416 (= sermo 78,2-3).
