6 september 23ste zondag

23ste zondag door het jaar – 6 september 2026
bij Mt 18,15-20 uit Augustinus’ sermo 82,1-2: 

Onze Heer waarschuwt ons hier dat we elkaars zonden niet mo­gen negeren. Dat betekent niet dat je moet zoeken naar een gelegenheid om een ander iets te ­­verwijten. Het betekent wel dat je moet kijken naar de manier waarop je een ander kunt terechtwij­zen. Hij had het hier natuur­lijk over diegene die scherp genoeg zag om de splinter uit het oog van zijn broeder te halen, omdat hij zelf geen balk in zijn eigen oog had (Mt 7,3-5). Wat dat inhoudt, zal ik u in een paar woorden dui­de­lijk pro­be­ren te maken, geliefde broeders en zusters. De splinter in het oog betekent boosheid, de balk in het oog haat. Wanneer iemand die haat, een ander die boos is, iets verwijt, wil hij de splinter uit het oog van zijn broeder wegnemen, maar wordt daarbij ge­hin­derd door de balk die hij in zijn eigen oog draagt. Een splin­­ter is het begin van een balk. Want voordat een balk een balk kan worden, moet hij eerst een splin­ter zijn ge­weest. Door een splinter water te geven, laat je hem uit­groeien tot een balk. En door je boosheid te voeden met verdachtmakingen­, laat je haar uit­groeien tot haat. 
     Er bestaat echter een groot verschil tussen de zon­­­de van iemand die boos wordt en de wreedheid van ie­mand die haat. We zijn al­lemaal wel eens boos op onze kin­­­de­ren. Maar is er iemand die zijn kinde­ren haat? Iets dergelijks komt bij de dieren ook voor. Soms kan de moe­der­koe het ge­woon even niet hebben dat haar kalf bij haar wil drinken en dan duwt ze het boos van zich af. Maar toch sluit ze het kalf in haar moeder­hart. Als het zich aan haar opdringt, kan ze het vervelend vinden, maar als het niet in de buurt is, gaat ze het zeker zoe­ken. Wij voeden on­ze kinderen op dezelfde manier op, soms worden we boos en dan mopperen we op ze. Maar we kunnen hen ook al­­leen maar opvoeden doordat we van hen houden. We weten nu dat het niet zo is dat iedereen die boos wordt, per de­finitie ook haat. We weten ook dat niet boos wor­den vaak een over­tuigender bewijs van haat is dan wel boos wor­den. Stel dat een kind bijvoorbeeld in het water van een ri­vier wil spe­len, en dat er in die rivier een le­vensgevaarlijke stro­ming zit. Als u het ziet spelen en u laat het zijn gang maar gaan, dan is dat een teken dat u het haat. Uw lakse houding heeft dan de dood van zo’n kind tot gevolg. Het is toch veel beter om boos op te worden op zo’n kind en het te­recht te wij­zen dan om er niet boos op te worden en het kind te la­ten omko­men!


Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 448-449 (sermo 82,1-2)