2de zondag van de Advent 

7 december 2025
bij Mt 3,1-12  uit Augustinus’ sermo 71,19

De eerste weldaad die de milde God ons gelovigen bewijst, is de vergeving van zonden met de hulp van de Heilige Geest. Daarom wordt het begin van de verkondiging van Johannes de Doper, die vóór de Heer uit was gezonden, als volgt beschreven: “In die dagen kwam Jo­han­nes de Doper in de woestijn van Judea verkondigen: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden.” (Mt 3,1-2) En de verkondiging van de Heer be­gint op dezelfde manier, want verderop staat: “Vanaf toen begon Je­zus te verkondigen. Hij zei: Bekeer u, want het rijk der hemelen is ophanden.” (Mt 4,17) Johannes richtte zich tot hen die zich door hem kwa­men laten dopen, hij zei onder meer: “Ik doop u met water opdat u zich bekeert. Maar Hij die na mij komt, is krachtiger dan ik. Ik ben het niet waard om Hem zijn sandalen te brengen. Hij zal u dopen met Hei­lige Geest en vuur.” (Mt 3,11) Ook de Heer zegt: “Johannes doopte met water, maar jullie zullen gedoopt worden met Heilige Geest, bin­nen enkele dagen.” (Hnd 1,5) Met Pinksteren dus.
    Je kunt in het woord vuur in de aankondiging van Johannes dat de Heer met vuur komt dopen, natuurlijk de marte­lingen lezen, die de gelovigen te doorstaan zouden krijgen, omdat ze de naam van Chris­tus droegen. Toch is het helemaal niet zo vreemd om in het woord vuur ook een verwijzing naar de Heilige Geest te zien. Daarom staat er in de Schrift ook, als de Heilige Geest verschijnt op de dag van Pinksteren: “Er verschenen hun vurige tongen, die zich ver­spreidden en zich op ieder van hen neerzetten.” (Hnd 2,3) Daarom zegt de Heer: “Ik kwam om vuur op de wereld te brengen.” (Lc 12,49) En daarom zegt de apostel Paulus: “Wees vurig van geest, want dan branden we van lief­de.” (Rom 12,11) En de liefde wordt in onze harten uitgestort door de Hei­li­ge Geest die ons geschonken wordt. (Rom 5,5) Maar: “De liefde van velen zal bekoelen.” (Mt 24,12) Dit plaatst de Heer tegenover deze vurigheid.
     De volmaakte gave van de Heilige Geest is de volmaakte lie­f­de. Maar daaraan voorafgaand komt er eerst een gave die tot de ver­ge­ving van zonden moet leiden. Door die weldaad worden wij aan de macht van de duisternis ontrukt. (Kol 1,13)


Uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94], [Ambo] Amsterdam, 2004 / [Damon] Budel 2010, 315 (= sermo 71,19).