22 mrt 5de zondag 40dagentijd

5de zondag van de veertigdagentijd – 22 maart 2026
bij Joh 11,1-45 uit Augustinus’ sermo 98,6-7

Let eens op de manier waarop Lazarus is opgewekt. Hij kwam te voorschijn uit het graf, le­vend en wel, maar hij kon niet lopen. De Heer zei tegen de leerlingen: “Maak hem los en laat hem gaan.” (Joh 11,44) Híj maakte de dode levend, zíj maakten zijn zwachtels los. Let op de bijzondere macht en majesteit van God die tot leven wekt. Ie­mand die vastzit aan een slechte ge­woonte wordt terechtgewe­zen door het woord van de waarheid. Hoevelen worden er niet te­rechtgewezen en luis­teren niet! Maar wie is werkzaam in het hart van mensen die wel luis­teren? Wie blaast hun de levensadem in? (Gn 2,7 en Joh 20,22) Wie ver­jaagt in het verborgene de dood, wie schenkt in het verborgene het leven? Wor­den de mensen niet aan het denken gezet door al die berispingen en terechtwij­zingen? Komen ze dan niet tot het besef wat een slecht le­ven ze leiden, hoe ze in de ban zijn geraakt van verfoeilijke ge­woon­tes? Vervolgens krijgen ze een hekel aan zichzelf en be­slui­ten ze hun leven te beteren. Die mensen zijn opgestaan, zij verafschuwen hoe zij waren en zijn weer tot leven gekomen. Maar al leven ze dan weer, lopen kunnen ze nog niet. Het zijn de boeien van hun schuld die hen kluisteren. Wie weer tot leven is gekomen, moet worden losgemaakt en toestem­ming krijgen om heen te gaan. Deze taak droeg Hij op aan zijn leerlin­gen tot wie Hij zei: “Wat u op aarde ont­bindt, zal ook in de hemel ontbonden zijn.”    Dierbare broeders en zusters, we moeten hiervan leren dat zij die leven, moeten zorgen in leven te blijven en dat zij die dood zijn, weer tot leven moeten zien te komen. Uit: Aurelius Augustinus – Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie, Budel 2007. – p.76-77  (= sermo 98,6-7)