Paasnacht – 5 april 2026
uit Augstinus’ sermo 223G,2
Wakker blijven is geen kunst! Bandieten blijven immers ook wakker, maar ze hebben er wel een andere bedoeling mee. Ze houden zich schuil tot de mannen slapen en willen dan bij de vrouwen komen onder de duistere medeplichtigheid van de nacht. Ook de beoefenaars van zwarte kunst blijven wakker, maar dan wel om demonen te dienen en met hun hulp schandelijke daden te verrichten. Het voert te ver en het is ook niet nodig te vermelden waarom al dat tuig wakker blijft.
Toch zijn er ook voorbeelden te noemen van mensen die met eerlijke bedoelingen wakker blijven: ambachtslieden, boeren, schippers, vissers, reizigers, handelaars, allerlei leidinggevenden, rechters, advocaten, in- en verkopers van boeken, bazen en ondergeschikten, en met welke tak van techniek, wetenschap of nijverheid een mens zijn leven ook doorbrengt. Maar dat doet hij wel met de bedoeling dat de aarde gemakkelijker en menswaardiger bewoond kan worden door haar bewoners, die snel als een ademtocht weer verdwijnen.
Kortom, allen die ’s nachts waken, hebben een doel. Als het een ongeoorloofd doel is, worden zij veroordeeld tot de eeuwige dood; als het een geoorloofd doel is, wordt het teniet gedaan door de tijdelijke dood. Christus nu is het doel van de wet tot gerechtigheid voor ieder die gelooft (Rom 10,4). Wij waken door naar Christus te kijken. Hij is het doel van de volmaaktheid. Hij bevrijdt ons van een einde dat veroordeling of vernietiging inhoudt. De mensen die ik zojuist noemde, blijven wakker met een eerlijke of oneerlijke bedoeling: zij kijken en streven wel naar een doel, maar hún doel is vergankelijk, óns doel kent geen einde. Uiteindelijk waken zij zonder dat ze de volmaakte rust zullen vinden in waar ze naar uitzien. Wij waken en bidden dat we niet op de bekoring ingaan (Mt 26,41). Zo overwinnen wij immers de belager op onze levensreis. Zo bereiken wij de Heiland, bij wie we voor altijd de volmaakte rust zullen vinden.
Uit : Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn 1996. – p.115-116 (= sermo 223G, 2)
