31e zondag door het jaar – 31 oktober 2027 feest van de kerkhervorming
bij Mc 12,28b-34 uit Augustinus’ sermo 90A,1-2:
In de evangelielezing die zojuist werd voorgelezen, is het alsof ook wij de Heer te zien krijgen. Niet met de ogen van het lichaam, maar – wat veel heil¬zamer is – met de ogen van het geloof. En daarom moeten we ons verplaatsen in de wetgeleerde die vroeg wat het grootste gebod in de wet was. Want de wetgeleerde die Hem dat vroeg, zag niet met de ogen van het geloof, maar met die van het lichaam. Het gevolg was dat hij Hem eigenlijk op de proef stelde in plaats van dat hij echt op een antwoord uit was. Maar wíj moeten vanuit ons geloof gaan zoeken, dan kunnen we op onze zoektocht vinden. Ook wij moeten vragen: “Heer, wat is het grootste gebod in de wet?” (Mt 22,36, Mc 12,28 en Lc 10,25) Niet uit sluwheid om te proberen Hem op de proef te stellen, maar uit verlangen om achter het antwoord te komen. Want Hij geeft aan ons nu hetzelfde antwoord als aan die wetgeleerde toen. Als die niet geloofde, dan was het in ieder geval zo dat hij zocht, en dat hij dat voor ons deed, en niet voor zichzelf. Als hij wel geloofde, dan moeten wij – de toehoorders – ons nu zeker laten onderrichten, zoals hij – de beproever – zich toen kon laten terechtwijzen.
Natuurlijk moeten we eerst onder ogen zien hoe hij naar het ene gebod zocht. Hij wilde weten wat het grootste gebod in de wet was. Dus niet wat het enige gebod was, maar wat het grootste of eerste was. Daarop antwoordde de Heer dat het niet om een maar om twee geboden ging. Dat deed Hij om te voorkomen dat de wetgeleerde, zodra hij had gehoord wat het grootste gebod was, verder zou gaan met de vraag naar het op een na grootste. Daarom kwam de Heer met nog een tweede gebod, opdat daarin werd vervuld wat al zoveel eerder was voorzegd: “De Heer zal zijn woord op aarde gestand doen, volledig en snel.” (Js 10,22-23 en Rom 9,28) Dat gebeurt nu en het komt tot vervulling door de liefde. Want de wet kent zo veel voorschriften dat elke bladzijde overwoekerd lijkt door geboden: je ziet gewoon door de bomen het bos niet meer. En als je al die geboden al niet kunt onthouden, hoe zou je ze dan nog kunnen vervullen?
Vol barmhartigheid vatte Christus de Heer de breedvoerige wet zo in een beknopt voorschrift samen, zoals Hij zichzelf – hoe groot Hij ook was – in een nietig lic¬haam had laten zien. Ondanks de beperktheid van zijn lichaam hebben wij te maken met de hele Zoon van God. En ondanks de beknoptheid van zijn geboden hebben we de hele wet van God te pakken. Zijn barmhartigheid heeft een eind gemaakt aan onze luiheid. Houd op met eindeloos in de boeken te neuzen, richt u liever op het in de praktijk brengen van wat u in een mum van tijd kunt leren!
Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het Matteüsevangelie, [Ambo] Amsterdam 2004, p. 555-556.
