6de zondag van de paastijd – 2 mei 2027
bij Johannes 15,9-17 uit Augustinus’ verhandeling over het Johannesevangelie 86,3:
U moet eens zien, lieve mensen, hoe Christus geen mensen uitkiest die van zichzelf goed zijn. Nee, de mensen die de Heer uitkiest, maakt Hijzelf tot goede mensen. Hij zegt: “Ik heb jullie uitgekozen en Ik heb jullie de taak gegeven om je op weg te begeven en vruchten voort te brengen die blijvend mogen zijn.” (Joh 15,16) Op die vruchten doelde Hij toch toen Hij eerder zei: “Los van Mij kunnen jullie niets”? (Joh 15,5) Hij heeft ons dus uitgekozen en gemaakt om ons op weg te begeven en vruchten voort te brengen. Wij bezaten zelf dus geen vrucht waarom Hij ons zou uitverkiezen. “Om je op weg te begeven en vruchten voort te brengen”, zegt Hij. Wij begeven ons op weg om dan vruchten te dragen en Hijzelf is de weg (Joh 14,6). Daarover gaan wij; daarop heeft Hij ons geplaatst om ons op weg te begeven. Zijn barmhartigheid heeft ons dus in alle opzichten voor geweest. “Om vruchten voort te brengen”, zegt Hij, “die blijvend zijn. Dan zal de Vader u geven al wat gij Hem in mijn naam vraagt.” (Joh 15,16) Laat dan de liefde blijven. Die is immers onze vrucht. Die liefde bestaat nu in verlangen, nog niet in verzadiging. Zelfs om dit verlangen schenkt de Vader ons alles wat wij vragen in de naam van zijn eniggeboren Zoon. Maar wat voor ons heil niet voordelig is te ontvangen als wij gered moeten worden, mogen wij niet waard vinden om te vragen in de naam van de Heiland. Wij vragen alleen in de naam van de Heiland wat te maken heeft met het wezenlijke van ons heil.
Uit: Aurelius Augustinus – De laatste visvangst: verhandelingen over het Johannesevangelie 55-124 [In Iohannis euangelium tractatus], [Damon] Eindhoven 2021; p. 214-215.
