1 november – Allerheiligen

maandag 1 november 2027 – Allerheiligen
bij Matteüs 5, 1-12a uit: Augustinus’ verhandeling over de bergrede 1,10

In totaal zijn er acht uitspraken. In wat volgt, richt de Heer zich tot de aanwezigen met de woorden: “Gelukkig bent u, als ze u uitschelden en vervolgen.” (Mt 5,11) Zijn eerste uitspraken waren in het algemeen bedoeld. Hij zei immers niet: Gelukkig die arm van geest zijn, want aan ú behoort het koninkrijk der hemelen, maar Hij zei: “Want hún behoort het koninkrijk der hemelen.” (Mt 5,5 (4)) Hij zei evenmin: Gelukkig die zachtmoedig zijn, want ú zult het land erven. Maar Hij zei: “Want zíj zullen het land erven.” (Mt 5,4 (5) En evenzo bij de overige uitspraken tot en met de achtste waar Hij zegt: “Gelukkig die worden vervolgd vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen.” (Mt 5,10) Nu gaat Hij zich echter richten tot de aanwezigen. Maar de eerste uitspraken waren net zo goed bestemd voor de daar aanwezige toehoorders, als de laatste uitspraak die in het bijzonder tot de aanwezigen schijnt gericht, ook bestemd is voor afwezigen en voor toekomstige generaties. Om die reden moet het getal van de uitspraken nauwkeurig worden bekeken.
Welnu, het geluk begint bij de nederigheid. Gelukkig die arm van geest zijn ()Mt 5,3), dat wil zeggen: niet opgeblazen. Men onderwerpt zich dan aan het goddelijke gezag uit vrees voor straf na dit leven, zelfs als men misschien in dit leven gelukkig denkt te zijn.
Vervolgens komt men tot de kennis van het Woord van God in de Schriften. Men moet zich dan zachtmoedig en toegewijd betonen en men waagt het dan niet kritiek te uiten op wat onwetende mensen dwaas vinden. Evenmin zal men door hardnekkige twisten weerspannig worden. Nu begint men in te zien hoe men door allerlei praktijken in de strikken van deze wereld vastzit. Op deze derde trede, die van het inzicht, wordt het verlies van het hoogste goed betreurd, omdat men verkleefd is aan het laagste. Op de vierde trede gaat het om zware inspanningen. Men legt zich er intensief op toe zich los te rukken van verderfelijk genot waarin men verwikkeld is. Hier hongert en dorst men naar de gerechtigheid. En daar is grote dapperheid voor vereist, want men laat niet zonder pijn los wat men met plezier vasthoudt. Op de vijfde trede krijgen zij die in hun zware inspanningen volharden, verstandig beleid aangereikt om te ontsnappen. Zij zijn absoluut niet in staat zich op eigen kracht te bevrijden uit de ellende waarin ze zo vast verstrikt zitten: zij moeten door een machtiger iemand worden geholpen. Wie naar de hulp van een machtiger iemand verlangt, doet er goed aan een zwakkere te helpen op een gebied waarop hijzelf sterker is. Daarom staat er: “Gelukkig die barmhartig zijn, want zij zullen barmhartigheid ondervinden.” (Mt 5,7) De zesde trede is de zuiverheid van hart: de vrucht van het goede geweten dat men goed leeft en goeddoet. Zo is men in staat tot de beschouwing van het hoogste goed, dat alleen met een reine en serene geest kan worden gezien. De zevende en laatste trede is de wijsheid zelf, dat wil zeggen: het schouwen van de waarheid. De wijsheid brengt heel de mens tot vrede en daardoor ontvangt men de gelijkenis met God. En zo wordt er afgesloten: “Gelukkig die vrede brengen, want zij zullen kinderen van God worden genoemd.” (Mt 5,9) Met de achtste uitspraak wordt eigenlijk teruggekeerd naar het begin, omdat de Heer daarmee laat zien en aanbeveelt wat in alle opzichten het volmaakte is. Daarom is dan ook in de eerste en de achtste uitspraak het koninkrijk der hemelen genoemd: “Gelukkig die arm van geest zijn, want hun behoort het koninkrijk der hemelen,” (Mt 5,3) en: “Gelukkig die worden vervolgd vanwege de gerechtigheid, want hun behoort het koninkrijk der hemelen.” (Mt 5,10) Bovendien staat er geschreven: “Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking wellicht of nood, of vervolging, of honger, of naaktheid, of levensgevaar, of het zwaard?” (Rom 8,35)
Het zijn er dus zeven die tot de volmaaktheid leiden. Want de achtste maakt duidelijk en laat openlijk zien wat het volmaakte is. Zo leiden van de eerste naar de laatste trede ook de tussenliggende treden tot de volmaaktheid en begint men eigenlijk weer bij het begin.

Uit: : Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 61-63.