7 mrt 4de zondag 40dagentijd

4de zondag van de veertigdagentijd – 7 maart 2027
bij Joh 3,14-21 uit Augustinus’ verhandelingen over het Johannesevanglie 12,11:
Waar staan die bijtende slangen voor? Voor de zonden van het sterfelijk lichaam. Waar staat die opgerichte slang voor? Voor de dood van de Heer aan het kruis. Omdat de dood immers door een slang is ontstaan, is de dood ook door de afbeelding van een slang voorgesteld. De beet van die slang bracht de dood, de dood van de Heer brengt leven. Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de slang machteloos wordt. Wat wil dat zeggen? Men vestigt zijn blik op de slang om te bereiken dat de dood machteloos wordt. Maar op wiens dood vestigt men dan zijn blik? Op de dood van het leven, als je tenminste kunt spreken van de dood van het leven. Ja, omdat je dat kunt zeggen is het te meer een wonderlijke uitspraak. Of mag soms niet worden gezegd wat er moest gebeuren? Zou ik aarzelen om onder woorden te brengen wat de Heer voor mij heeft willen doen? Is Christus soms niet het leven? En toch hangt Hij aan het kruis. Is Christus soms niet het leven? En toch is Hij gestorven. Maar in de dood van Christus is de dood gestorven, omdat het leven door te sterven de dood heeft omgebracht: de volheid van het leven heeft de dood opgeslokt, de dood is verslonden in het lichaam van Christus (1 Kor 15,54). Zo zullen ook wij het bij de opstanding zeggen wanneer we eindelijk in triomf zingen: “Dood, waar is je overwinning? Dood, waar is je angel?” ( 1 Kor 15,55)
      Maar voor het zover is, moeten wij, broeders en zusters, opzien naar de gekruisigde Christus om van de zonde te worden genezen. Want de Schrift zegt: “Zoals Mozes in de woestijn de slang heeft omhooggeheven (Nu 21,8-9), zo moet ook de mensenzoon omhoog worden geheven, zodat iedereen die in Hem gelooft niet verloren gaat maar eeuwig leven heeft.” (Joh 3,14-15) Zoals de mensen die hun blik vestigden op die slang, niet stierven aan de slangenbeet, zo worden zij die in geloof hun blik vestigen op de dood van Christus, genezen van de beten van de zonden. Die mensen van destijds werden echter van de dood gered om nog een beperkte tijd te kunnen leven, maar hier zegt de Heer: zodat zij eeuwig leven hebben. Dat is namelijk het verschil tussen het beeld en de werkelijkheid. Het beeld schonk leven voor een beperkte tijd maar de werkelijkheid waarvan dat het beeld was, schenkt eeuwig leven.

Uit: Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; – Budel: Damon 2010, p. 266-267.