4de zondag van de veertigdagen tijd – 15 maart 2026
bij Joh 9,1-41 uit Augustinus’ sermo 136,1
We hebben geluisterd naar een lezing uit het heilig evangelie die ons vertrouwd is. Toch is het goed er weer aan herinnerd te worden. Het is goed ons geheugen te ontdoen van het stof van de vergetelheid. Ja, deze zeer oude lezing heeft ons geboeid, ze leek wel nieuw.
Christus gaf het licht aan een blindgeborene. Waarom kijkt u daarvan op? Christus is de heelmeester: in zijn goedheid herstelde Hij wat Hij de blinde in de moederschoot had onthouden. Toen Hij hem het gezichtsvermogen had onthouden was dat natuurlijk geen vergissing. Hij stelde het slechts uit, om een wonder te kunnen doen. Nu kunt u zeggen: “Hoe weet u dat?” Wel, dat heb ik van de Heer gehoord. Dat heeft Hij daarnet gezegd, dat hebben we allemaal gehoord.
Toen zijn leerlingen Hem namelijk vroegen: “Heer, wie heeft er gezondigd, hijzelf of zijn ouders, dat hij blind geboren is?” (Joh 9,2) antwoordde de Heer wat we allemaal hebben gehoord: “Hij heeft niet gezondigd en zijn ouders ook niet. Nee, de daden van God moeten in hem openbaar worden.” (Joh 9,3) Daar hebt u de reden van het uitstel, toen de Heer hem het gezichtsvermogen had onthouden. Hij deed niet wat Hij had kunnen doen. Nee, dat deed Hij niet. Hij wist dat Hij het zou doen als de tijd daar was.
Uit: Aurelius Augustinus – De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. – p.223 (= sermo 136,1)
