21 december 2025
bij Mt 1,18-24 uit Augustinus’ sermo 51,9
Er zijn mensen die het geloof in de evangeliën afbreuk doen. Zij houden ons voor dat we eigenlijk klakkeloos geloven wat er staat. Daarom zijn zij eropuit om wat er staat, belachelijk te maken. Er staat: “Zijn moeder Maria was verloofd met Jozef, en voordat ze bij elkaar gingen wonen, bleek zij zwanger te zijn van de Heilige Geest. Omdat Jozef, haar man, een rechtvaardige was en haar niet in opspraak wilde brengen, kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te scheiden.” (Mt 1,18-19)
Hij wist dus dat zij niet zwanger was van hém en als gevolg daarvan dacht hij dat zij hem ontrouw was geweest. “Omdat hij een rechtvaardige was,” zoals de Schrift zegt, “en haar niet in opspraak wilde brengen” – dat wil zeggen: hij wilde haar niet voor iedereen te schande maken, want dat staat ook in vele vertalingen – “kwam hij op de gedachte om in stilte van haar te scheiden.” Jozef was ontzet, hij was per slot van rekening haar man, maar omdat hij een rechtvaardige was, begon hij niet tegen haar op te spelen. Want aan deze man wordt zo’n rechtvaardigheid toegeschreven, dat hij weliswaar geen ontrouwe vrouw wilde hebben, maar haar ook niet aan een openbare bestraffing wilde blootstellen. “Hij kwam op de gedachte,” staat er, “om in stilte van haar te scheiden.” Hij wilde haar dus niet alleen niet bestraffen, maar ook niet te schande maken. Wat een oprechte rechtvaardigheid is dat! (…) Deze rechtvaardige man wil zijn vrouw niet bij zich houden. Hij houdt dus niet van haar om haar lichaam. Toch wil hij haar ook niet aan bestraffing blootstellen. Hij ontziet haar dus uit medelijden. Wat is die man rechtvaardig! Hij houdt zijn ontrouwe vrouw niet bij zich en hij wekt ook niet de indruk haar te ontzien uit lichamelijke begeerte. En toch bestraft hij haar niet en maakt haar ook niet te schande. Die man is dus volkomen terecht uitgekozen tot getuige van de maagdelijkheid van zijn vrouw. Door menselijke zwakheid was Jozef van zijn stuk gebracht, door goddelijk gezag is hij gesterkt.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p.52 (= sermo 51,9).
