6de zondag van de Paastijd – 10 mei 2026
bij Joh 14,15-21 uit Augustinus’ sermo 126,14
We zien Christus: mens en God. Hij toont ons de mens, de God bewaart Hij voor later. Kijk maar hoe Hij God voor ons bewaart, terwijl Hij ons de mens laat zien. Hij zegt: “Wie Mij liefheeft houdt zich aan mijn geboden. Wie Mij liefheeft, hem zal mijn Vader liefhebben en ook ik zal hem liefhebben.” (Joh 14,21) En alsof iemand vraagt: “Wat geeft u dan aan mensen van wie U houdt?” vervolgt Hij: “Ik zal Mij aan hen openbaren.”
Wat wil dat zeggen, broeders en zusters? Ze zagen Hem al en toch beloofde Hij dat Hij zich aan hen zou laten zien! Aan wie? Aan mensen die Hem al zagen, of ook aan mensen die Hem niet zagen? Iets dergelijks zei Hij ook tegen de apostel Filippus. Die verlangde de Vader te zien, dan zou hij tevreden zijn. Hij zei: “Laat ons de Vader zien, dan zijn we tevreden.” (Joh 14,8) Daar stond de Heer, vlak voor de ogen van een slaaf en in de gestalte van een slaaf. De gestalte van God bewaarde Hij voor later, als die apostel vergoddelijkt zou zijn. Hij zei: “Ik ben al zo lang bij jullie, en je hebt Me nog niet leren kennen? Wie Mij ziet, ziet ook de Vader.” (Joh 14,9)
U wilt de Vader zien? Kijk naar Mij, zegt de Heer: u ziet Mij en u ziet Mij niet. U ziet wat Ik voor u heb aangenomen, u ziet niet wat Ik voor u bewaard heb. Hoor mijn geboden, zuiver uw blik. Ik heb gezegd: “Wie Mij liefheeft houdt zich aan mijn geboden en ook Ik zal hem liefhebben. Want als iemand zich houdt aan mijn geboden en is genezen door mijn geboden, ja, dan zal Ik Mij aan hem openbaren.”
Uit: Aurelius Augustinus – De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het evangelie volgens Johannes. – Budel : Damon, 2007. – p. 122 (= sermo 126,14)
