14de zondag door het jaar – 5 juli 2026
bij Mt 11,25-30 uit Augustinus’ sermo 67,8
Wat betekent dat, broeders en zusters? Kijk eens goed naar de tegenstelling. De Heer zegt: “U hebt dit verborgen voor wijzen en verstandigen.” (Mt 11,25) Hij zegt niet: “U hebt het onthuld aan dwazen en onverstandigen,” maar: “U hebt dit verborgen voor wijzen en verstandigen en het onthuld aan eenvoudigen.” (Mt 11,25) Tegenover die belachelijke, arrogante wijzen en verstandigen die zichzelf belangrijk vinden, maar in werkelijkheid blaaskaken zijn, zet de Heer geen dommen en onverstandigen, maar eenvoudigen. En wie zijn dat? De nederigen. Daarom zegt Hij: “U hebt dit verborgen voor wijzen en verstandigen.” Onder wijzen en verstandigen verstaat de Heer hoogmoedigen. Dat legde Hij zelf uit met: “U hebt het onthuld aan eenvoudigen.” Wijzen en verstandigen zijn dus niet-eenvoudigen. Wat betekent dat, niet-eenvoudig? Niet-nederig. En wat betekent niet-nederig nu anders dan hoogmoedig? O, die weg van de Heer! Of hij is nog niet gebaand, of hij is verborgen, maar in beide gevallen wordt hij ons onthuld.
Waarom jubelde de Heer nu? (Lc 10,21) Omdat het onthuld is aan eenvoudigen. We moeten dus eenvoudig zijn. Want als we belangrijk willen zijn, zoals die wijzen en verstandigen dus, wordt het ons niet onthuld. Nogmaals, wie zijn er belangrijk? De wijzen en verstandigen, die beweerden wijs te zijn, maar dwaas werden (Rom 1,22). Maar er bestaat een tegengif. Bent u dwaas geworden door te beweren dat u wijs bent, zeg dan dat u dwaas bent, en u zult wijs worden. Maar zeg het dan ook, zeg het, zeg het uit de grond van uw hart. Als u het zegt, gebeurt het ook. En als u het zegt, doe dat dan niet alleen ten overstaan van mensen, maar ook ten overstaan van God. U bent natuurlijk in duisternis gehuld over uzelf en het uwe. En wat betekent dwaas zijn nu anders dan dat het hart in duisternis gehuld is? Kortom, over dit soort mensen zegt Paulus: “Zij beweerden wijzen te zijn, maar werden dwazen.” (Rom 1,22) Wat had Hij daarvoor gezegd? “En hun hart waarmee ze het inzicht verwierpen, werd verduisterd.” (Rom 1,21) Zeg gewoon dat u niet uw eigen licht bent. U bent hooguit oog, geen licht. Wat hebt u aan een gezond oog dat je gewoon open kunt doen, als er geen licht is? Zeg dus dat uw licht niet van uzelf komt en roep uit wat in de psalm geschreven staat: “U zult mijn lamp verlichten, Heer. Met uw licht, Heer, zult U mijn duisternis verlichten.” (Ps 18,29) Ik ben slechts duisternis, U bent het licht dat de duisternis verjaagt en mij verlicht. Mijn licht komt niet van mijzelf, mijn licht schijnt pas in Uw licht.
Uit : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p.270 (= sermo 67,8)
