3de zondag van de Paastijd – 19 april 2026
bij Lc 24,13-35 uit Augustinus’ sermo 235,2
Wat kunnen we nu leren van deze lezing? Iets belangrijks, als we de inhoud tenminste begrijpen. Jezus verscheen: zij zagen Hem met eigen ogen, maar herkenden Hem niet. De leermeester liep met hen mee over de weg, terwijl Hij zelf de Weg was (Lc 24,15). Zij wandelden echter nog niet op de Weg, Hij vond hen namelijk ver van de Weg afgedwaald. Toen Hij vóór zijn lijden bij hen was, had Hij alles voorzegd: dat Hij zou lijden, dat Hij zou sterven en op de derde dag zou verrijzen. Alles had Hij voorzegd. Welnu, Hij stierf, en zie: alles vergaten ze. Ze raakten zo in de war toen ze Hem aan het kruishout zagen hangen, dat ze zijn onderricht vergaten, zijn verrijzenis niet verwachtten en ook niet aan zijn beloften dachten. “Wij leefden in de hoop,” zeiden zij, “dat Hij degene zou zijn die Israël ging verlossen.” (Lc 24,21) Leerlingen toch, u “leefde in de hoop”? Hoopt u nu dan niet meer? Kijk toch: Christus leeft, en in u is de hoop gestorven? Zeker leeft Christus. De levende Christus trof het hart van zijn leerlingen dood aan. Voor hun ogen verscheen Hij wel en niet. Hij werd gezien en bleef verborgen. Want – als Hij niet werd gezien – hoe konden ze Hem dan vragen horen stellen en Hem antwoord geven op zijn vragen? Op weg liep Hij met hen mee alsof Hij hun reisgenoot was, terwijl Hij zelf de gids was. Ze zagen Hem wel degelijk, maar herkenden Hem niet. Want “hun ogen werden verhinderd Hem te herkennen,” zoals we hoorden, niet verhinderd om Hem te zien, wel verhinderd “om Hem te herkennen.” (Lc 24,16)
Uit : Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn 1996. – p. 134-135 (= sermo 235,2)
