11e zondag door het jaar – 14 juni 2026
bij Mt 9,36-10,8 uit Augustinus’ sermo 101,1-2
De evangelielezing die we zojuist gehoord hebben, spoort ons aan om te onderzoeken en zo mogelijk te vertellen wat voor oogst de Heer bedoelt als Hij zegt: “De oogst is wel groot, maar arbeiders zijn er weinig. Vraag de eigenaar van de oogst om arbeiders in te zetten voor zijn oogst.” (Lc 10,12 en Mt 9,37) … De Heer zond toen twaalf leerlingen, die Hij ook apostelen noemde, zoals uit zijn woorden blijkt, naar de oogst die klaar stond.
Wat was dat nu voor oogst? Die oogst bevond zich natuurlijk niet bij de heidenen, waar nog niets was gezaaid. Wij kunnen dus alleen maar concluderen dat die oogst zich bij het volk van de joden bevond. Naar die oogst kwam de eigenaar van de oogst. Naar die oogst zond Hij maaiers. Naar de heidenen zond Hij geen maaiers, maar zaaiers. De conclusie is dus dat er geoogst is bij het volk van de joden. Uit die oogst werden toch ook de apostelen gekozen. Daar was al iets rijp om te oogsten, omdat de profeten er hadden gezaaid. Het is een genoegen te kijken naar Gods akker, zich te verheugen over zijn gaven en te werken op zijn land.
uit: Joke Gehlen-Springorum, Vincent Hunink, Hans van Reisen en Annemarie Six-Wienen, Aurelius Augustinus – Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en het Lucasevangelie, [Damon] Amsterdam 2002, 84.
