6de zondag door het jaar – 15 februari 2026
bij Mt 5,17-37 uit Augustinus, s.dom.m. 1,20
“Denk niet dat Ik ben gekomen om de wet of de profeten op te heffen. Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen maar om te vervullen.” (Mt 5,17) Die uitspraak heeft twee betekenissen. Beide dienen te worden behandeld. Want wie zegt: “Ik ben niet gekomen om de wet op te heffen maar om te vervullen,” heeft de bedoeling de wet te vervolledigen door aan te vullen wat aan de wet ontbreekt, of door te volbrengen wat de wet inhoudt. Laten we nu eerst bekijken wat ik als eerste heb genoemd. Want wie aanvult wat ergens aan ontbreekt, heft in elk geval niet op wat men aantreft. Nee, men versterkt het eerder door het te vervolmaken. En daarom vervolgt de Heer: “Ik verzeker u: eer hemel en aarde vergaan, zal er niet één tittel of jota van de wet afgaan voordat alles is volbracht.” (Mt 5,18) Wanneer namelijk ook de regels worden volbracht die men toevoegt om te vervolmaken, geldt des te meer dat de bestaande regels worden volbracht. Dat de Heer zegt: “Niet één tittel of jota zal van de wet afgaan,” kan alleen maar worden opgevat als een krachtige uitdrukking van volmaaktheid. De afzonderlijke letters tonen dat. Onder die letters is de jota kleiner dan de andere: het is maar een streepje. En de tittel is zelfs maar een stipje daar bovenop. Met die woorden laat de Heer zien dat ook de kleine lettertjes van de wet in acht moeten worden genomen.
Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p. 71 (= s.dom.m. 1,20)
