15de zondag door het jaar – 12 juli 2026
bij Mt 13,1-23 uit Augustinus’ sermo 111,3
Waarom zijn wij zo blij met grote aantallen? Luister naar mij, u die met weinigen bent. Ik weet wel dat u met velen toehoort, maar slechts weinigen geven gehoor aan mijn woorden. De dorsvloer zie ik, de graankorrels moet ik zoeken. Wanneer er wordt gedorst zijn de graankorrels nauwelijks te zien, maar de tijd zal komen dat er wordt gewand. Het zijn er dus maar weinig die worden gered, vergeleken met het grote aantal dat zal omkomen. Maar juist die weinigen zullen een enorme massa gaan vormen. Wanneer de wanner zal komen met zijn wan in de hand, zal hij zijn dorsvloer opruimen. Het graan zal hij verzamelen in zijn schuur, maar het kaf verbranden in onblusbaar vuur (Mt 3,12). Laat het kaf de korrel maar niet bespotten! De Heer bedriegt niemand, zijn woorden zijn waar. Wees daarom met velen onder de velen, maar met weinigen vergeleken bij bepaalde massa’s. Van deze dorsvloer zal zo’n grote oogst te voorschijn komen dat hij de schuren van de hemel zal vullen. Zou Christus de Heer zichzelf dan tegenspreken met zijn woorden: “Er zijn maar weinig mensen die binnengaan door de nauwe poort (Mt 7,14), velen komen om op de brede weg”? Dat lijkt er wel op als Hij ergens anders zegt: “Velen zullen komen uit oost en west.” (Mt 8,11) Die velen zijn er in werkelijkheid weinig, die weinigen zijn er veel. Dus de ene keer zijn het er veel, de andere keer weinig? Nee, het zijn er tegelijkertijd weinig en veel: weinig vergeleken met de verlorenen en veel in de engelengemeenschap.
Uit: Aurelius Augustinus – Als korrels tussen kaf: preken over teksten uit het Marcus- en Lucasevangelie, Budel 2007. – p. 204 (= sermo 111,3)
