27ste zondag door het jaar – 4 oktober 2026
bij Mt 21,33-43 uit Augustinus’ sermo 87,3:
De wijngaardenier heeft dus eerst een wijngaard aangelegd en die vervolgens aan wijnbouwers verpacht, aldus de Heer Jezus Christus zelf (Mt 21,33). De wijnbouwers moesten op gezette tijden een deel van de opbrengst aan de wijngaardenier afdragen. Hij stuurde zijn dienaren dus naar hen toe om de vruchten van de wijngaard te gaan halen. Maar ze scholden de dienaren uit, doodden er zelfs een paar en weigerden de opbrengst af te dragen. Daarop stuurde hij anderen, maar die ondergingen hetzelfde lot. Toen zei de landeigenaar, dat wil zeggen: degene die zijn eigen akker had bewerkt, die zijn eigen wijngaard had aangelegd en verpacht: “Ik zal mijn enige zoon sturen, hem zullen ze toch wel ontzien!” En hij stuurde zijn zoon, zoals er staat. Maar de wijnbouwers zeiden tegen elkaar: “Daar heb je de erfgenaam! Kom op, we doden hem. Dan is de erfenis van ons!” Ze doodden hem dus en gooiden hem de wijngaard uit. Wat denkt u dat de eigenaar van de wijngaard met die vuige wijnboeren gaat doen, wanneer Hij komt? Het antwoord luidt: Die ellendelingen zal hij een ellendige dood bezorgen! En de wijngaard zal hij aan andere wijnbouwers verpachten, die de opbrengst wel aan hem afdragen zoals afgesproken.” (Mt 27,34-41)
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p. 492 (sermo 87,3)
