5 april: Paaszondag

Paaszondag – 5 april 2026
bij Joh 20,1-18 (!) uit Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, 98-110

Het bericht van Maria Magdalena over Jezus’ leeggehaalde graf werkt op een interessante manier door in het Johannesevangelie. Op haar bericht snellen twee mannelijke leerlingen naar Jezus’ graf. De ene leerling van wie Jezus hield kwam als eerste aan en ziet voorovergebukt de zwachtels liggen. Vervolgens komt ook Petrus bij het graf, gaat naar binnen en ziet behalve de zwachtels de zweetdoek elders opgerold. Dan gaat ook de andere leerling naar binnen: hij ziet en gelooft. Augustinus zegt daarover: “Sommige mensen letten hier niet goed op en denken dan dat Johannes toen is gaan geloven dat de Heer was verrezen. Maar het vervolg wijst daar niet op.  Wat moet anders die volgende zin? ‘Want zij hadden nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Jezus namelijk uit de doden moest opstaan?’ (Joh 20,9) Johannes die niet wist dat Jezus moest opstaan, heeft dus niet geloofd dat Hij al was opgestaan. Wat zag en geloofde hij dan wel? Hij zag het graf leeg en geloofde wat Maria Magdalena had gezegd: ‘Ze hebben de Heer weggehaald uit het graf.’ (Joh 20,2). Zij hadden immers nog niet begrepen wat er geschreven stond dat Hij namelijk uit de doden moest opstaan.” (Io.eu.tr. 120,9). Augustinus legt Joh 20,8-9 dus uit met behulp van Joh 20,2! Die uitleg heeft waarschijnlijk om minstens twee redenen enige irritatie opgeroepen. Het eerste probleem is dat de leerling Johannes en wellicht ook Petrus zich in hun interpretatie van wat zij zien, laten leiden door het getuigenis van één persoon, en nog wel van een vrouw. Dat is ongewoon in een wereld waar een getuigenis pas rechtsgeldig was van minstens twee personen (Nu 35,30, Dt 19,15 en Joh 8,7) en dat zullen in de wereld van toen wel mannen geweest moeten zijn. Het tweede probleem is dat de twee belangrijke mannelijke leerlingen op grond van wat zij zien, volgens de uitleg van Augustinus niet meteen tot het inzicht komen dat de Heer is verrezen, maar eerst gaan geloven wat Maria Magdalena hun heeft gezegd. Augustinus’ uitleg moet het in de geschiedenis van de bijbeluitleg nogal eens afleggen tegen een andere. Daarin komen Petrus en die andere leerling anders dan Maria Magdalena wel tot het geloof in de verrijzenis van de Heer. Dat zij de Schriften nog niet hadden begrepen, slaat dan op het feit dat zij eerst moesten zien om te kunnen geloven. Wie de Schriften begrijpt, gelooft eerst om te kunnen zien. Toch blijft de uitleg van Augusitnus de moeite van het bewaren waard. Hij doet recht aan de bijzondere positie van Maria Magdalena in haar liefde en genegenheid voor de Heer en schept klaarheid in haar positie ten opzichte van Petrus en de andere leerling.
Uit: Hans van Reisen, ‘Verrezen tot leerlinge van de Heer: Maria Magdalena in de verkondiging van Augustinus’, in: Tijdschrift voor Liturgie 79 (1995) 3, 98-110.