8 november 32ste zondag

32ste zondag door het jaar – 8 november 2026
bij Mt 25,1-13 uit Augustinus’ sermo 93,10: 

Ziet u, de domme maagden die geen olie bij zich hadden,­ willen de mensen behagen, door hun onthou­ding – die er de reden van is dat ze maagd worden genoemd­ – en door hun goede werken – iedereen kan zien dat ze lampen dragen. Maar als ze de mensen willen behagen en daarom die prijzenswaardige dingen doen, dan hebben ze geen olie bij zich. U moet dus olie bij zich hebben­, vanbinnen, waar God ziet. Daar moet u het ge­tui­genis van uw geweten dragen. Maar als u naar het getuigenis van een ander wandelt, hebt u geen olie bij zich. Als u zich ont­houdt van wat niet mag, en goede werken doet om u door de mensen te laten prijzen, dan hebt u van binnen geen olie bij zich. 
      Om kort te gaan, vanaf het moment dat de mensen u niet meer prijzen, gaat uw lamp steeds zwakker bran­den. Let dus goed op, geliefde broeders en zusters. Voordat de maagden ­­in slaap vielen, staat er nergens dat hun lam­pen uitgingen. De lampen van de verstandige maag­den brandden op de olie die zich in hen bevond, hun ge­ruste geweten, hun innerlijke roem, hun diepste lief­de. Toch brandden de lampen van de domme maagden ook. Waarom brand­­den die op dat moment? Omdat het hun niet ontbrak aan lofprijzingen van de mensen. 
      Maar nadat ze waren opgestaan, dat betekent: in de verrijzenis uit de doden, begonnen ze hun lampen in orde te maken: begonnen ze zich erop voor te be­rei­den om tegenover God rekenschap geven van hun goede werken. En omdat er dan niemand is om je te prij­zen, heb je ruim de tijd voor je eigen zaken. Ie­dereen denkt dan aan zich­zelf. Er was dus niemand die olie verkocht. Hun lampen begonnen steeds zwakker te branden, en de domme maagden richtten zich tot de vijf verstandige: “Geef ons van jul­lie olie, want onze lampen gaan uit.” (Mt 25,8) Dat zeiden ze omdat ze dat gewend waren, dat wil zeggen: licht geven op de olie van een ander, ­­leven naar de lofprijzingen van een ander. “Geef ons van jullie olie, want onze lam­pen gaan uit.” 


Uit: : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p. 585 (sermo 93,10)