19de zondag door het jaar – 9 augustus 2026
bij Mt 14,22-33 uit Augustinus’ sermo 75,1:
De lezing uit het evangelie die we zojuist hebben gehoord, maakt ons allemaal opmerkzaam op het feit dat we nederig moeten zijn en dat we goed moeten beseffen en erkennen waar we zijn, en in welke richting we ons moeten haasten.
De boot die de leerlingen vervoerde, kwam midden op het meer in moeilijkheden, omdat de wind tegenzat (Mt 14,24). Dat alles is niet zonder betekenis. Evenmin als het zonder reden is dat toen de Heer de menigte had verlaten, Hij de berg opging om in afzondering te bidden (Mt 14,23), en dat toen Hij vervolgens over het meer naar zijn leerlingen toe wandelde (Mt 14,25), Hij zag dat ze in groot gevaar waren. Maar door bij hen aan boord te komen wist Hij hen weer gerust te stellen en Hij kalmeerde de golven (Mt 14,27).
Is het zo vreemd dat Hij die alles heeft gemaakt (Joh 1,3) ook alles kan kalmeren? Toen hij aan boord was gekomen, kwamen er ook opvarenden bij Hem en zeiden tegen Hem: “Werkelijk, U bent de Zoon van God.” (Mt 14,33) Toen dat voor hen nog niet duidelijk was, waren ze in paniek geraakt, omdat ze Hem over het meer zagen lopen (Mt 14,26). Ze riepen: “Een spook!” (Mt 14,26) Door aan boord te komen wist Hij de woeste golfbewegingen van de geest uit hun hart weg te nemen. Geestelijk waren ze in groter gevaar dan lichamelijk op het onstuimige meer. Dat kwam doordat ze onzeker waren.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo, 2004, p. 374 (sermo 75,1)
