Aswoensdag – 18 februari 2026
bij Mt 6,1-6 en 16-18 uit Augustinus, s.dom.m. 2,42
Wat is de betekenis van Jezus’ uitspraak: “Als u vast, zalf dan uw hoofd en was uw gezicht, opdat het bij de mensen niet opvalt dat u vast.” (Mt 6,18) Het lijkt immers niet terecht dat iemand ons voorschrijft om, terwijl we de gewoonte hebben ons gezicht elke dag te wassen, bij het vasten ook nog ons hoofd te zalven. Als iedereen erkent dat dat hoogst ongepast is, moet men het gebod om zijn hoofd te zalven en zijn gezicht te wassen laten slaan op het innerlijk van een mens. Het hoofd zalven slaat dan op de blijdschap, het gezicht wassen op de zuiverheid. Iemand die zich innerlijk verheugt, geestelijk en verstandelijk, zalft zijn hoofd. …
Iemand die vast moet daar dus een geestelijk genoegen aan beleven, en wel doordat hij zich door het vasten afkeert van werelds genot en zo ondergeschikt is aan Christus, die volgens dit voorschrift verlangt dat wie vast zijn hoofd heeft gezalfd. Zo zal hij ook zijn gezicht wassen, met andere woorden: zijn hart zuiveren. Met een gezuiverd hart zal hij God zien, niet gehinderd door een sluier van ziekte die hij opgelopen heeft in het vuil, maar kerngezond en krachtig omdat hij zuiver en oprecht is. “Was u, reinig u!” staat er geschreven. “Doe weg de misdaden uit uw gedachten; uit mijn ogen ermee!” (Js 1,16) Dat vuil moet dus van ons gezicht worden gewassen: het kwetst de ogen van God. Want door met onverhuld gelaat de glorie van de Heer te aanschouwen zullen wij herschapen worden zodat wij op Hem gaan gelijken (2 Kor 3,18).
Uit: Aurelius Augustinus – Het huis op de rots: verhandeling over de bergrede [De sermone Domini in monte]. – p.154-155 (= s.dom.m. 2,42)
