16de zondag door het jaar – 19 juli 2026
bij Mt 13,24-43 uit Augustinus’ sermo 73A,3-4
Waar ter wereld heeft de vijand geen onkruid gezaaid? Aan welke graansoort, aan welk korenveld is hij voorbijgegaan zonder er onkruid te zaaien? Heeft hij het soms wel tussen leken gezaaid en niet tussen geestelijken of bisschoppen? Wel tussen gehuwde mannen en niet tussen mannen die de gelofte van zuiverheid hebben afgelegd? Wel tussen gehuwde vrouwen en niet tussen ongehuwde maagden? Wel in de huizen van de leken en niet in de kloosters van de monniken? Nee, overal heeft hij het uitgestrooid, overal heeft hij het gezaaid. Kunt u een plaats noemen waar hij geen onkruid tussen de tarwe heeft achtergelaten?
Maar goddank verstaat degene die de taak zal krijgen om de tarwe van het onkruid te scheiden, zijn vak. Want het is u, geliefde broeders en zusters, natuurlijk niet ontgaan dat er bij iedere oogst, ook als het gaat om de hoogstgeplaatsten en de meest verhevenen, onkruid wordt gevonden. Zelfs bij degenen die de geloften hebben afgelegd. En dan zegt u: “Dáár? Zijn daar dan ook slechte mensen te vinden? Zijn daar in dat klooster ook slechte mensen te vinden?” Ja, slechte mensen zijn overal te vinden, maar ze zullen niet voor altijd samen met de goede heersen.
Staat u ervan te kijken dat er op zo’n heilige plaats slechte mensen te vinden zijn? Weet u niet dat de eerste zonde, de ongehoorzaamheid, zich in het paradijs afspeelde? En dat ten gevolge van diezelfde ongehoorzaamheid ook de engel ten val kwam? Heeft hij daardoor soms een smet op de hemel geworpen? Ook Adam kwam ten val (Gn 3,6-7). Heeft Adam daardoor een smet op het paradijs geworpen? Een van de kinderen van Noach kwam ten val (Gn 9,22). Heeft hij daardoor een smet op het huis van een rechtvaardige geworpen? Judas kwam ten val (Mt 26,14-16). Heeft hij daardoor een smet op het koor van de apostelen geworpen?
Soms worden mensen door anderen als koren beschouwd, terwijl ze onkruid zijn. En soms worden ze als onkruid beschouwd terwijl ze in werkelijkheid koren zijn. Omdat je niet alles van iedereen kunt weten, zegt de apostel Paulus: “Oordeel niet voorbarig, voordat de Heer gekomen is. Hij zal wat in het duister verborgen is, aan het licht brengen, en openbaar maken wat er in de harten omgaat. Dan zal ieder de lof die hem toekomt, ontvangen van God.” (1 Kor 4,5) De lof van een mens is van voorbijgaande aard. Soms prijs je iemand zonder te weten dat hij slecht is. En soms beschuldig je ook iemand zonder te weten dat hij heilig is. Moge God u vergeven als u het niet weet, en degenen die onder uw oordeel te lijden hebben, te hulp komen.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p. 367 (= sermo 73A,3-4)
