24 mei: Pinksteren 2026

Pinksteren – 24 mei 2026
bij Hand 2,1-12 uit Augustinus’ sermo 266,2

Wij vieren vandaag het feest van de komst van de Heilige Geest. Want die kwam op de dag van Pinksteren, die al is aangebroken. Er waren honderdtwintig personen op één plaats bijeen. Onder hen bevonden zich de apostelen, de moeder van de Heer en andere mensen, mannen en vrouwen, die aan het bidden waren en wachtten op de vervul­ling van Christus’ belofte, de komst van de Heilige Geest (Hnd 2,1 en 1,14-15). De hoop van de wachtenden was geen ijdele hoop, want de belofte van de Belover was geen loze belofte. Zij wachtten, en Hij kwam. En Hij trof reine vaten, waarin Hij kon worden opgevangen. Er verscheen hun iets dat op vuur geleek en dat zich, in tongen ver­deeld, op ieder van hen neerzette. En zij begonnen in vreemde talen te spreken, naarge­lang de Geest hun te vertolken gaf (Hnd 2,3-4). Iedere per­soon sprak in alle talen, omdat de toekomstige kerk hiermee in alle talen werd aangekon­digd. Eén persoon was het teken van de een­heid: alle talen in één persoon, dat betekent alle volkeren tezamen in eenheid. Degenen die vol waren, spraken; degenen die leeg waren, wisten niet wat ervan te denken, en wat erger is, ze wisten niet wat ervan te denken en maakten er beledigende opmerkingen over (Hnd 2,12-13). Ze zeiden: “Ze zijn dronken en ze zijn zich aan zoete wijn te buiten gegaan.” (Hnd 2,13) Wat een domme en laster­lijke beledigingen. Een dronkeman leert geen vreemde taal, nee, hij raakt de zijne kwijt. Maar toch sprak de waarheid bij monde van die onwetende mensen met hun beledi­gingen. Ja, die honderdtwintig perso­nen waren zich echt te buiten gegaan aan jonge wijn, want zij waren nieuwe wijn­zakken geworden (Hnd 2,13, Mt 9,17, Mc 2,22 en Lc 5,37-38). Maar de oude wisten niet wat te denken van de nieuwe, en door die beledigingen werden de oude niet ver­nieuwd en ook niet gevuld. Maar uit­eindelijk ebde hun beledigende toon weg. Ze gingen luisteren naar de apostelen die aan het woord waren, een verklaring aflegden en door de genade van Christus predikten (Hnd 2,15). Door te luisteren werden ze geraakt, daar­door veranderd, en door die verandering begonnen ze te geloven. En door dat geloof verdienden ze dat te ontvangen, waarvan ze niet wisten wat ze ervan moesten denken bij anderen.


Uit : Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn 1996. – p. 229 (= sermo 266,2)