23 augustus 21ste zondag

21ste zondag door het jaar – 23 augustus 2026 
bij Matteüs 16,13-20  uit Augustinus’ sermo 76,4:

Laten we Petrus als een van de meer eerbiedwaar­di­ge leden van de kerk eens goed bekijken en laten we pro­be­ren om een onderscheid te maken tussen ­wat hij van God heeft en wat hij van zichzelf heeft. Want dan zullen we niet meer wanke­len, dan zullen we op de steenrots worden gegrond­vest: we zullen onwrikbaar staan tegenover de wind, de re­gen en de bergstromen, dat wil zeggen: de verlokkingen van deze tijd­­ (Mt 7,25). Kijk nu eens goed naar onze vriend Petrus, die des­tijds de voorafbeelding van onszelf was. De ene keer gelooft hij, de andere keer twijfelt hij. De ene keer be­kent hij dat Christus onsterfelijk is (Mt 16,16), de andere keer is hij bang dat Christus sterft (Mt 16,22). Zoals de kerk van Chris­tus sterke leden heeft, heeft zij ook zwakke. Zon­der sterke leden kan zij niet bestaan, zonder zwakke even­­min. Daarom zegt de apostel Paulus ook: “Wij, de sterken, hebben de plicht de last van de zwakken te dra­gen.” (Rom 15,1)
      Als Petrus zegt: “U bent de Christus, de Zoon van de levende God,” verwijst hij naar de sterken. Maar als hij in angst zit en twij­felt en niet wil dat Christus lijdt – omdat hij bang is voor de dood en het leven niet erkent – verwijst Petrus naar de zwakken binnen de kerk. In die ene apostel – ik heb het natuur­lijk over Petrus, de eerste in rang onder de twaalf apostelen, de voornaamste, de persoon in wie de kerk werd voorafgebeeld – moes­ten bei­de groepen worden aange­duid: de sterken en de zwakken. Zon­­der die twee groepen is er namelijk geen kerk.


Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 385-386 (sermo 76,4)