20ste zondag door het jaar – 16 augustus 2026
bij Mt 15,21-28 uit Augustinus’ sermo 60A,2-3:
De Heer heeft zich begeven naar het gebied van Tyrus en Sidon (Mt 15,21). Een Kananese vrouw uit die streek komt naar buiten om Hem te vragen haar dochter te genezen. Maar de Heer luistert niet eens naar haar (Mt 15,23). Hij doet alsof Hij haar niet ziet staan, omdat Hij haar geloof aan het licht wil brengen. Kijk eens hoe Hij haar geduld op de proef stelt! Hij houdt het geschenk dat Hij wel degelijk wil geven, achter omdat Hij de woorden die haar geschikt maken om het te ontvangen, aan haar hart wil ontlokken. En als ook de leerlingen tegen de Heer zeggen: “Stuur haar weg, want ze roept ons achterna,” (Mt 15,23) zegt Hij: “Het is niet goed om het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven.” (Mt 15,26) …
Zij vraagt dus en krijgt als antwoord: “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven.” Terwijl ze dat met klem vroeg, werd ze een hond genoemd. Ze had boos kunnen worden bij het horen van zulke, haast beledigende, woord, en dat nog wel uit de mond van de Waarheid. Ze had weg kunnen lopen na dit hardvochtige antwoord en bij zichzelf kunnen denken: “Ik kwam Hem om een gunst vragen. Als Hij die kan verlenen, laat Hij dat dan doen. Als Hij dat niet kan, waarom ben ik dan een hond? Heb ik soms iets verkeerds gedaan door naar Hem toe te gaan en Hem om een gunst te vragen?” Ze wist heel goed aan wie ze een gunst vroeg. Ze wees niet af wat er uit de mond van de Waarheid kwam, nee, ze pikte het. Sterker nog, ze hield aan en deed er nog een schepje bovenop, door te erkennen dat ze was wat ze te horen had gekregen. Want ze zei: “Juist, Heer.” (Mt 15,27) Met andere woorden: “U hebt gelijk, ik ben inderdaad een hond.” En omdat Hij over het brood van de kinderen had gesproken, was erkennen dat ze een hond was voor haar nog niet genoeg. Ze erkende degenen die Hij kinderen had genoemd, bovendien als haar meesters. Dit omdat Hij zei: “Het is niet goed het brood van de kinderen te nemen en het aan de honden te geven.”
“Inderdaad, Heer,” was haar antwoord, “want de kruimels die van de tafel van de baas vallen, zijn voor de honden.” (Mt 15,27)
Wat kunnen we concluderen, broeders en zusters? Ze vraagt met klem, ze blijft zoeken en ze klopt hard. Alleen omdat ze vraagt, zoekt en klopt, is ze al geen hond meer. De Heer geeft het heilige in haar geval dus niet aan een hond. Hij laat namelijk zien dat ze geen hond is omdat ze vanuit een vurig verlangen klopt. Hij wil gewoon bevestigen wat Hij eerder heeft gezegd. Hij had zijn rentmeesters voorgehouden het heilige niet aan de honden te geven en de parels niet voor de zwijnen te gooien. (Mt 7,6) En om hen die het willen horen, te waarschuwen dat ze geen honden meer mogen zijn, als ze dat al waren, zegt Hij: “Vraag, zoek en klop (Mt 7,7).”
Dit laat Hij dus zien in de Kananese vrouw die Hij zelf aanvankelijk een hond noemde. Omdat ze bij het horen van dat scheldwoord niet kwaad werd, maar haar nederigheid bekende door die scheldnaam niet naast zich neer te leggen, nam de Heer op hetzelfde moment de schande van haar weg. Hij had haar een hond genoemd. Hij had zijn leerlingen voorgehouden dat ze het heilige niet aan de honden mochten geven. Waarom verdroeg de vrouw dit scheldwoord van de Heer? Toch alleen omdat ze een andere vrouw was geworden door het in nederigheid te aanvaarden? En meer nog, omdat ze erkende dat ze was wat ze te horen had gekregen, hield ze op het te zijn.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 184-186 (sermo 60A,2-3)
