13 december 2026
bij Joh 1,6-8 en 19-28 uit Augustinus’ verhandelingen over het Johannesevangelie 4,7:
Ze vroegen hem: “Hoe zit het dan? Bent u Elia?” “Nee”, antwoordde hij. En ze vroegen hem: “Bent u dan de profeet?” “Nee,” antwoordde hij. “Maar wie bent u dan?” drongen ze aan, “We moeten antwoord kunnen geven aan degenen die ons gestuurd hebben. Wie zegt u zelf dat u bent?” Hij zei: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn.” (Joh 1,22-23) Dat heeft Jesaja gezegd. In Johannes is die profetie vervuld: “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn.” (Js 40,3) Wat roept hij? “Maak recht de weg van de Heer, maak recht de paden voor onze God!” Lijkt het u niet de taak van een heraut om te roepen: “Uit de weg, maak ruimte”? Alleen roept een heraut: “Uit de weg,” maar Johannes zegt: “Kom!” Een heraut duwt de mensen weg van de rechter. Johannes roept ze tot de rechter. Of liever: Johannes roept ze naar de nederige Jezus om te voorkomen dat ze zullen ervaren wie Hij is als verheven rechter. “Ik ben de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer – zoals de profeet Jesaja gezegd heeft.” Hij zegt niet dat hij Johannes is, Elia of de profeet. Maar hij zegt: “Ik word genoemd de stem van iemand die roept in de woestijn: Maak recht de weg van de Heer.” Ik ben deze profetie zelf.
Uit: Hans Tevel en Hans van Reisen, Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevanglie 1-23; – Budel : Damon 2010, p. 108-109
