3 april: Goede Vrijdag

Goede Vrijdag – 3 april 2026

Joh 18,1-19,42 uit Augustinus’ sermo 218,1-2 en 13

Men gelooft terecht dat de Heer met iedere afzonderlijke daad die tijdens zijn lijden is verricht en beschreven, een bedoeling heeft gehad, omdat Hij juist in het sterfelijke vlees alles niet uit noodzaak heeft doorstaan maar uit vrije wil. Ten eerste dat Hij na te zijn overgeleverd om te worden gekruisigd zelf zijn kruis droeg (Joh 19,16-17). Daarmee gaf Hij ons een toonbeeld van zelfbeheersing. Door ons daarin voor te gaan liet Hij zien wat iemand moet doen die Hem wil volgen. Daarop wees Hij ons ook met een uitspraak toen Hij zei: “Wie rnij liefheeft, moet zijn kruis opnemen en Mij volgen (Mt 16,24; Mc 8,34; Lc 9,23).” Wie immers op een goede manier zijn sterfelijk leven leidt, neemt in zekere zin zijn kruis op. … Verder dat bij de andere twee gekruisigden de benen werden gebroken, maar bij Jezus niet, omdat Hij al was overleden (Joh 19,31-33). Waarom dat zo is, verklaart het evangelie zelf. Het kon immers geen kwaad dat Hij ook met dat teken zou laten zien — in de profetie die eerder over Hem was verkondigd — dat aan het Paasfeest van de joden moest worden gedacht. Een van de voorschriften daarbij was dat de beenderen van het lam niet mochten worden gebroken (Ex 12,46, Nu 9,12). Uit : Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn 1996. – p. 91 (= sermo 218, 1-2 en 13)