22ste zondag door het jaar – 30 augustus 2026
bij Mt 16,21-27 uit Augustinus’ sermo 76,3:
Petrus was dus vernoemd naar de petra, de steenrots en daarom was hij gelukzalig. Hij droeg de voorafbeelding van de kerk in zich en hij was de eerste in rang onder de apostelen. Maar hoewel hij al wist dat hij gelukzalig was, dat hij Petrus was, op een steenrots gebouwd, ging hij meteen in (Mt 16,22) tegen de uitspraak dat het lijden van de Heer ophanden was. De Heer had zijn leerlingen namelijk even daarvoor voorzegd dat dat snel zou gebeuren (Mt 16,21). Petrus was natuurlijk bang dat hij Hem door de dood zou verliezen, terwijl hij Hem zojuist nog als de bron van het leven had beleden. Hij was er ondersteboven van en zei: “God beware U, Heer! Dat mag U niet overkomen. Heb medelijden met Uzelf, God! Ik wil niet dat U sterft.” Petrus zegt tegen Christus: “Ik wil niet dat U sterft,” maar Christus zegt iets beters: “Ik wil sterven voor jou.”
Christus wijst Petrus dan ook onmiddellijk terecht, terwijl Hij hem even tevoren nog had geprezen. Terwijl Hij hem zojuist nog gelukkig had genoemd, noemt Hij hem nu satan (Mt 16,23). “Weg daar, achter Mij, satan,” zegt Hij, “Je bent een struikelblok voor Mij, want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.” (Mt 16,23) Wat wíl Hij nu met ons mensen, dat Hij het ons zo zwaar inpepert dat we mensen zijn? Wilt u weten wat Hij met ons wil? Luister dan naar de psalm, waarin staat: “Ik was het die sprak: u bent goden, zonen van de Allerhoogste, u allen” (Ps 82,6) – dit moet u natuurlijk wel binnen menselijke proporties zien – “maar u zult sterven als mensen.” (Ps 82,7) Dezelfde Petrus: net nog gelukzalig, nu satan (Mt 16,17). Van het ene moment op het andere! Daar sta je van te kijken, hè Petrus? Het zijn inderdaad twee heel verschillende benamingen. Maar dat is niet voor niets: er zijn ook twee heel verschillende redenen voor.
Ik zal je vertellen waarom je gelukzalig werd genoemd. Dat komt doordat die onthulling je niet door vlees en bloed werd gedaan, maar door mijn Vader die in de hemel is (Mt 16,17). Daarom ben je gelukzalig, omdat het je niet door vlees en bloed is onthuld. Was het je wel door vlees en bloed onthuld, dan zou je het van jezelf hebben. Maar het is je niet onthuld door vlees en bloed, maar door mijn Vader die in de hemel is. En daarom heb je het niet van jezelf, maar van Mij. Hoezo van Mij? Omdat alles wat de Vader heeft, ook van Mij is (Joh 16,15). Zie je wel? Nu weet je waarom je gelukzalig bent en waarom je Petrus bent. Maar waarom dan die andere benaming die ons de koude rillingen over het lijf doet lopen en die we niet willen herhalen? Waarom anders dan omdat je het van jezelf hebt? Want jouw gedachten zijn niet Gods gedachten, maar die van mensen.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 383-384 (sermo 76,3)
