18de zondag door het jaar – 2 augustus 2026
bij Mt 14,13-21 uit Augustinus’ Io.eu.tr. 24,1
De wonderen die onze Heer Jezus Christus heeft gedaan, zijn zonder twijfel goddelijke daden. Ze sporen het menselijk verstand aan om vanuit het waarneembare kennis van God op te doen. Gods wezen is immers niet van dien aard dat je het met de ogen kunt zien, en de wonderen waarmee Hij het heelal leidt en heel de schepping bestuurt, zijn doordat ze nooit ophouden zo gewoon geworden dat bijna niemand nog de moeite neemt om aandacht te schenken aan de wonderlijke, ja de verbluffende werken van God in bijvoorbeeld een zaadkorrel. Daarom heeft Hij in zijn barmhartigheid een aantal wonderen achter de hand gehouden die Hij op een geschikt moment zou kunnen verrichten, buiten de gewone loop en orde van de natuur om, zodat de mensen voor wie de dagelijkse wonderen zo gewoon waren geworden, versteld zouden staan – niet omdat ze nog grotere wonderen zien, maar omdat ze ongebruikelijke dingen zien. Want het besturen van heel de wereld mag dan wel een wonder zijn dat groter is dan het verzadigen van vijfduizend mensen met vijf broden (Joh 6,1-41; vgl. Mt 14,19-21), maar toch verbaast niemand zich over het eerste en zijn de mensen wel verbaasd over het tweede – niet omdat het een groter wonder is maar omdat het zo ongewoon is. Maar wie anders voedt ook nu de hele wereld dan Hij die uit een paar korrels hele oogsten schept? Christus handelde dus als God. Door hetzelfde vermogen waardoor Hij een paar korrels tot hele oogsten vermenigvuldigt, heeft Hij in zijn handen de vijf broden vermenigvuldigd. Er lag immers macht in de handen van Christus, en die vijf broden waren als het ware zaden, nu alleen niet aan de aarde toevertrouwd maar vermenigvuldigd door Hem die de aarde heeft gemaakt. Dit is dus aan de zintuigen voorgeschoteld om de geest te prikkelen. Het is aan de ogen, het oefenterrein van het verstand, getoond om te bereiken dat wij de onzichtbare God door zijn zichtbare werken bewonderen, en om te bereiken dat wij, geprikkeld tot geloof en door geloof gezuiverd, ernaar verlangen op onzichtbare wijze Hem te zien die wij vanuit het zichtbare als de onzichtbare leren kennen.
Uit: Aurelius Augustinus – Brood om van te leven: verhandelingen 24-54 over het Johannesevangelie. – Eindhoven : Damon, 2017 – p. 71-72 (Io.eu.tr. 24,1)
