28 feb: 3de zondag 40dagentijd

3de zondag van de veertigdagentijd – 28 februari 2027
bij Joh 2,13-25 uit Augustinus’ verhandelingen over het Johannesevangelie 10,6:
Als we op zoek willen gaan naar het geheim dat in de feiten ligt besloten, wie zijn dan degenen die runderen verkopen? En degenen die de schapen verkopen en de duiven? Dat zijn zij die hun eigen belang zoeken in de kerk, niet het belang van Jezus Christus (Fil 2,21). Ze beschouwen alles als koopwaar, maar willen niet worden vrijgekocht. Ze willen niet gekocht worden, maar ze willen wel verkopen. Het zou goed voor hen zijn als ze met het bloed van Christus werden vrijgekocht zodat ze tot de vrede van Christus kunnen komen. Want wat voor zin heeft het om in deze wereld te verwerven wat tijdelijk en vergankelijk is: geld, genot voor maag en mond of aanzien ontleend aan menselijk eerbetoon? Dat is toch allemaal rook en wind? Dat gaat toch allemaal voorbij, in een ommezien? En wee hun die zich hechten aan wat voorbijgaat, want zij gaan tegelijk voorbij. Is dat alles niet een snelstromende rivier die zich in zee stort? Wee degene die daarin valt, want hij wordt meegesleurd naar zee. Wij moeten dus al onze gevoelens verre houden van zulke begeerten.

Mijn broeders en zusters, wie dat soort dingen zoekt, dát is een verkoper. Jazeker, ook die Simon wilde de Heilige Geest kopen, omdat hij de Heilige Geest wilde doorverkopen (Hnd 8,18-19) en hij dacht dat de apostelen net zulke handelaren waren als zij die door de Heer met een zweep uit de tempel werden gejaagd. Hij was namelijk zelf zo iemand. Hij wilde kopen wat hij kon doorverkopen. Hij behoorde tot de verkopers van de duiven. De Heilige Geest is immers verschenen in de gedaante van een duif (Mc 1,10). En wie verkopen er nu duiven, broeders en zusters, wie anders dan zij die zeggen: “Wij bieden u de Heilige Geest”? Waarom beweren zij dat toch en welke prijs vragen ze voor hun koopwaar? Die prijs is eerbetoon. Ze ontvangen vergankelijke erezetels als prijs en zo kan iedereen zien dat ze duiven verkopen. Laten ze maar oppassen dat ze niet een pak slaag met de touwen krijgen! De Duif is niet te koop. Hij wordt gratis gegeven omdat hij “genade” wordt genoemd.
      Mijn broeders en zusters, deze mensen gaan net zo te werk als die verkopers, die marktkooplui die je wel ziet: ieder prijst aan wat hij te koop heeft. Wat hebben ze allemaal niet in de aanbieding? […] Gaat er dus iemand de verkopers langs om een duif te kopen, dan prijst ieder zijn uitgestalde koopwaar aan. Laat hij zich in zijn hart afwenden van al die verkopers en laat hij komen waar de Duif gratis is te krijgen.

Uit: Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie; – Budel: Damon 2010, p. 226-227