3de zondag door het jaar – 25 januari 2026
bij Mt 4,12-23 uit Ambrosius’ exp.eu.Lc. 1,8-9
In een volmaakt mens is een dubbele voortreffelijkheid: de goede wil en het handelen. Beide voortreffelijke eigenschappen geeft de heilige evangelist bij de apostelen aan. “Zij hebben het Woord niet alleen gezien, maar ook gediend,” zegt Lucas (Lc 1,2). De goede wil heeft met het zien te maken; het handelen met het dienen. Het handelen is het doel van de goede wil. Het uitgangspunt van het handelen ligt in de goede wil.
Om een voorbeeld te ontlenen aan de apostelen: het was alleen nog maar goede wil toen Petrus en Andreas op het horen van de stem van de Heer zonder enig uitstel hun boot in de steek lieten en het Woord volgden (Mt 4,20), toen de Heer zei: “Ik zal u vissers van mensen maken.” (Mt 4,19) Maar goede wil houdt nog niet direct het handelen in. Er was nog geen sprake van handelen, maar slechts van goede wil toen Petrus vroeg: “Heer, waarom kan ik U niet terstond volgen? Mijn leven zal ik voor U geven.” (Joh 13,37) Er was wel sprake van goede wil om te lijden, maar er was nog geen sprake van daadwerkelijk lijden. Hij handelde al wel door te vasten, door te waken en door de lichamelijke genoegens te versmaden: dat zijn ware daden van een christen! Goede wil en handeling gaan immers niet overal hand in hand: terwijl in het ene geval al van handelen sprake is, is er in een ander geval alleen nog maar goede wil. Want Petrus had als apostel met niet aflatende ijver veel gedaan. Toch heeft hij pas later, toen de Heer hem had gezegd: “Volg Mij,” (Joh 21,22) zijn kruis opgenomen en is hij het Woord gevolgd: het handelen vond plaats in het lijden dat hij onderging. Maar al zouden bij Petrus, Andreas, Johannes en de overige apostelen de goede wil en het handelen min of meer zijn samengevallen, toch is er soms meer sprake van goede wil dan van handeling, of meer sprake van handeling dan van goede wil.
Uit : Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas. – Budel : Damon, 2005. – p. 123 (= ex.eu.Lc. 1,8-9)
