28 dec. Onnozele kinderen

28 december 2025 – zondag binnen het kerstoctaaf – Heilige Familie – Onnozele kinderen

bij Mt 2,13-23 uit Augustinus’ sermo 373,3

Herodes doodt vele kinderen terwijl hij de dood van één kind tot stand wil brengen (Mt 2,16-18). Door de zeer wrede en bloedige slachting van zoveel onschuldigen legde hij door deze grote misdaad in zichzelf het zaad van de dood. Onze koning Christus lag in de kribbe en kreeg de borst, terwijl de magiërs hulde brachten (Mt 2,11) en de kinderen in zijn plaats de dood vonden (Mt 2,16-18). Het Woord van God was Hij, God in de gestalte van een kind dat nog niet kan spreken. Hoewel Hij nog niet had gespro­ken, vond Hij al gelovigen. Hoewel Hij nog niet had geleden, bewerkte Hij al dat mensen bloedgetuigen van Hem werden.

                Gelukkige kinderen, pasgebo­ren, nooit op de proef gesteld, zonder strijd al gekroond! Laat wie meent dat de doop van Christus geen heil brengt aan kleine kinderen, dan ook maar twijfelen aan uw zegekrans bij het lijden voor Christus. U had weliswaar niet de leeftijd waarop u in Christus’ toekomstig lijden kon geloven maar u had het lichaam waarmee u het lijden verdroeg in plaats van dat Christus zou gaan lijden.

                Op geen enkele manier heeft de genade van het kind dat de Heiland is, die kinderen in de steek gelaten. Die Heiland kwam zoeken naar wat verloren was gegaan (Mt 18,11 en Lc 19,10), niet alleen door in het vlees geboren te worden, maar ook door aan het kruis te hangen, door af te dalen naar de onderwereld, door naar de hemel op te stijgen en door plaats te nemen aan de rechterhand van de Vader. Want als pasgeborene had Hij engelen tot boodschappers (Lc 2,8-15), de hemelen als verkondi­gers (Mt 2,2-10) en de magiërs als aanbidders (Mt 2,11). Als Hij zou weten dat die dood voor die kinderen het einde zou betekenen in plaats van een overwinning met groter geluk, had Hij hun ook kunnen schenken dat zij op aarde niet voor Hem in de plaats zouden sterven. We mogen niet eens denken dat Christus bij zijn komst voor de bevrijding van de mensen niets zou hebben gedaan ter beloning van hen die in zijn plaats werden vermoord. Want toen Hij aan het kruis hing, heeft Hij zelfs gebeden voor hen door wie Hij werd gedood (Lc 23,34).

Uit: Richard van Zaalen O.F.M., Hans van Reisen en Sander van der Meijs, Aurelius Augustinus – Als lopend vuur: preken voor het liturgisch jaar 2 [Sermones de scripturis], [Damon], Amsterdam 2001, 208-209 (s. 373,3)