25ste zondag door het jaar – 20 september 2026
bij Mt 20,1-16 uit Augustinus’ sermo 87,1:
Uit het heilig evangelie hebt u een gelijkenis gehoord, die heel goed bij de tijd van het jaar past: die over de arbeiders die in de wijngaard werken (Mt 20,1-16). Net nu het de tijd is van de wijnoogst! Er bestaat ook nog een andere wijnoogst, een geestelijke, waarbij God zich verheugt op de opbrengst van zíjn wijngaard. Want wij bewerken en vereren God, en God bewerkt en vereert ons. Maar niet op dezelfde manier: als wij God bewerken, kunnen we geen betere God van Hem maken. Want wij bewerken Hem niet door Hem te beploegen, maar door Hem te aanbidden. God bewerkt ons zoals een boer zijn land bewerkt. Als Hij ons bewerkt, maakt Hij dus betere mensen van ons, net zoals een boer zijn land beter maakt door het te bewerken. De opbrengst die God van ons verwacht, is dat wij Hem bewerken. Als Hij ons bewerkt, richt Hij zich op ons innerlijk. Dat betekent dat Hij nooit zal ophouden het onkruid uit ons hart te verwijderen met zijn woord, ons hart als het ware open te scheuren met de ploeg van de preek, er het zaad van zijn geboden in te zaaien en vervolgens op de opbrengst te wachten: onze toewijding. Als we ons hart op zo’n manier door Hem laten bewerken dat we Hem bewerken zoals het hoort, stellen we ons zeker niet ondankbaar jegens onze wijngaardenier op. Integendeel, dan schenken we Hem de opbrengst waarop Hij zich verheugt. Een opbrengst die Hem niet rijker maakt, maar ons wel gelukkiger.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 491 (sermo 87,1)
