21 juni: 12de zondag

12e zondag door het jaar – 21 juni 2026
bij Mt 10,26-33 uit Augustinus’ sermo 65,4-6

Zoals u weet, broeders en zusters, wordt de ziel on­ster­felijk genoemd. En de ziel is ook on­ster­felijk, op haar manier. In zekere zin is zij het le­ven dat door haar aanwezigheid het lichaam levend kan maken. Door de ziel komt het dat het lichaam leeft. Dat leven kan niet ster­ven en daarom is de ziel onsterfe­lijk. Waarom zeg ik dan “in zekere zin” en “op haar ma­nier”? Luister maar. Dat zeg ik omdat het hier gaat om ­een ware onster­fe­lijk­heid, een soort onsterfelijkheid die in alle opzichten onveran­der­lijkheid inhoudt. De apostel Paulus heeft het daarover als hij over God zegt: “Alleen God bezit onster­fe­lijk­heid en woont in ongenaakbaar licht, dat geen mens heeft gezien of in staat is te zien. Hem zij eer en roem in de eeu­wen der eeuwen. Amen.” (1 Tim 6,16) Alleen God bezit dus onsterfelijkheid. Dan kan het niet anders of de ziel is sterfelijk. Be­grijpt u nu waarom ik zei dat de ziel op haar manier onsterfelijk is?­ De ziel kan namelijk best sterven. Probeer dat te begrijpen, ge­liefde broeders en zusters, dan zullen er geen vragen over­blijven. Ja, ik durf keihard te beweren dat de ziel kan sterven, dat ze kan worden gedood.
      Natuurlijk, de ziel is onsterfelijk. En toch durf ik te be­weren dat ze enerzijds onsterfelijk is en dat ze anderzijds gedood kan worden. Dat doe ik om­dat zij op een of andere manier onsterfelijk is, dat wil zeggen­: in alle opzichten onveranderlijk. Dat is de soort onsterfelijkheid die al­leen God bezit, over wie er wordt gezegd: “Alleen God be­zit onsterfelijkheid.” Want als de ziel niet kan wor­den gedood, hoe kan de Heer dan zeggen als Hij ons angst aan wil ­jagen: “Wees be­vreesd voor Hem die de macht heeft om zo­wel het lichaam als de ziel te doden in de hel”? (Mt 10,28)
      Tot nu toe heb ik alleen nog maar vastgesteld dat er inderdaad sprake is van een probleem. Opgelost heb ik het nog niet. Ik heb be­wezen dat de ziel kan worden gedood. En alleen een goddeloze ziel kan tegenspreken wat er in het evangelie staat. Kijk, dat is het! Nu weet ik hoe ik het wil zeg­gen.­ Alleen een dode ziel kan het leven tegens­pre­ken. Het evangelie is het leven. Goddeloosheid en ongeloof betekenen de dood voor de ziel. U ziet het, de ziel kan tegelijk sterven en on­­ster­fe­lijk zijn. In welke zin is de ziel dan onsterfelijk? In die zin dat er in haar altijd een sprankje leven zit, dat nooit uitdooft. En in welke zin kan zij dan sterven? Dat gebeurt niet omdat er helemaal geen leven is, maar omdat zij het goddelijke leven verliest. Want de ziel doet twee dingen tegelijk: ze geeft niet alleen le­ven aan iets anders, maar ze heeft ook zelf een leven. Let eens op de plaats die lichaam en ziel innemen binnen de schepping.­ Het le­ven van het lichaam is de ziel. Het leven van de ziel is God. Zoals het lichaam een leven heeft om niet te hoe­ven ster­ven – dat wil zeggen: een ziel – zo moet ook de ziel een leven hebben om niet te hoeven sterven – dat wil zeg­gen: God. Hoe sterft het lichaam? Doordat de ziel het ver­laat. Doord­at de ziel het lichaam verlaat, zeg ik, sterft het li­chaam. En dan ligt daar een lijk, eerst ziet het er nog wel redelijk uit, maar algauw is het niet meer om aan te zien. Al­le li­chaams­delen zijn er nog, ook de ogen en de oren. Maar dat zijn al­leen maar de ramen van het huis: de bewo­ner is vertrokken. Als je treurt om een dode, doe je niets an­ders dan tevergeefs staan roe­pen aan de ramen van zijn woning. Want binnen is er nie­mand meer die je kan horen. En hoeveel verhalen komen er dan niet boven? In al je verdriet raak je maar niet uitgepraat over de dierbare dode, en je haalt allerlei herinneringen op. ­En soms ben je nog zo in de war­ dat je, overmeesterd door verdriet, met de dode praat alsof hij nog leeft. Je zegt wat een bes­te man hij was, en hoe goed hij voor je is geweest: “Jij bent het die mij zoveel hebt gegeven. Jij hebt zo­veel voor mij gedaan. Jij bent het die mij zo hebt lief­ge­had.” Maar als je ­het beseft en het dringt tot je door­, als je de verwarring van je verdriet onderdrukt, dan weet je wel beter: degene die jou heeft liefgehad, is vertrok­ken. Je staat tevergeefs aan een huis te kloppen, waarin je geen bewoner meer zult aantreffen.
       Terug naar waar ik het zojuist over had. Het lichaam is dood. Waarom? Omdat het leven ­uit zo iemand is heengegaan, dat wil zeggen: de ziel. Het lichaam ­leeft, maar de persoon zelf is god­de­loos, ongelovig, star en nauwelijks ­­tot geloof te bewegen, niet van plan om zijn fouten te verbete­ren. Terwijl het li­chaam leeft, is de ziel, waardoor het li­chaam ­leeft, dood. Zoiets groots is de ziel, dat zij in staat is om het leven te geven aan het ­lichaam, ook al is zijzelf dood. Ik zeg het nog eens: zoiets groots is de ziel, zo’n ver­he­ven schepsel, dat zij in staat is om – ook al is zijzelf dood – het lichaam levend te maken.

uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94], Amsterdam 2004, 243-245.