2de zondag door het jaar – 18 januari 2026
bij Joh 1,29-34 uit Augustinus’ Io.eu.tr. 4,13
Was het nodig dat de Heer werd gedoopt? Ik antwoord meteen met een tegenvraag: was het nodig dat de Heer werd geboren? Was het nodig dat Hij werd gekruisigd? Was het nodig dat Hij stierf? Was het nodig dat Hij werd begraven? Als Hij dus zoveel vernederingen voor ons heeft ondergaan, waarom zou Hij dan de doop niet ondergaan hebben? En wat voor nut had het dat Hij de doop van zijn dienaar onderging? Dat u het niet beneden uw stand zou achten de doop van uw Heer te ondergaan.
Let goed op, dierbare gelovigen. Er zouden later in de kerk catechumenen voorkomen die een zeer grote genade zouden ontvangen. Je ziet immers wel eens een catechumeen die zich van sexuele omgang onthoudt, de wereld vaarwel zegt, afziet van zijn bezittingen en ze uitdeelt aan de armen. Hij is nog maar catechumeen maar niettemin is hij zo mogelijk nog beter onderlegd in de heilsleer dan menige gelovige. Toch valt voor zo iemand te vrezen dat hij bij zichzelf zegt over de doop waardoor de zonden worden vergeven: “Wat kan ik erbij winnen? Kijk maar, ik ben beter dan die gelovige en die gelovige ….” En hij denkt dan aan gelovigen die getrouwd zijn, of die misschien niet zo veel weten, of die hun eigendommen nog bezitten terwijl híj ze al onder de armen heeft verdeeld. Hij stelt zich voor dat hij beter is dan wie al is gedoopt. Hij weigert zich te laten dopen en zegt: “Dan zal ik hetzelfde krijgen als die en die.” En hij haalt zich daarbij de mensen voor de geest die hij veracht. Het is hem als het ware te min hetzelfde te ontvangen als die mensen die minder zijn, omdat hij zichzelf nu al beter vindt dan hen. En toch drukken al zijn zonden nog op hem en als hij niet tot de heilzame doop nadert waardoor de zonden worden vergeven, kan hij met al zijn voortreffelijkheid niet binnengaan in het koninkrijk der hemelen.
Maar de Heer wilde hem met al zijn voortreffelijkheid kunnen uitnodigen om zich door Hemzelf te laten dopen zodat zijn zonden vergeven zouden worden. Daarom is de Heer zelf gekomen om zich door zijn dienaar te laten dopen. Hoewel Hijzelf niets had dat Hem vergeven moest worden, niets waarvan Hij schoongewassen moest worden, onderging Hij toch de doop van zijn dienaar. Hij heeft als het ware die trotse en hoogmoedige zoon aangesproken, die misschien wel wilde weigeren om samen met simpele zielen te ontvangen wat hem zijn redding zou brengen. De Heer zei als het ware: “Hoe groot maak jij jezelf? Hoe hoog verhef jij je? Hoever gaat die voortreffelijkheid van jou? Hoe groot is je genade? Kan die groter zijn dan de mijne? Als Ik naar een dienaar ben toegegaan, vind jij het dan te min om naar de Heer toe te gaan? Als Ik de doop van een dienaar heb ondergaan, vind jij het dan te min om door de Heer te worden gedoopt?”
Uit: Hans Tevel en Hans van Reisen, Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen 1-23 over het Johannesevangelie [In Iohannis euangelium tractatus], [Damon] Budel 2010, 113 (= Io.eu.tr. 4,13)
