2de zondag van de Paastijd – 12 april 2026
bij Joh 20,19-31 uit Augustinus’ sermo 247,2
De evangelielezing spoort ons aan om een woord te wijden aan de vraag hoe de Heer, die in zo’n concreet lichaam verrees dat Hij door zijn leerlingen niet alleen kon worden gezien maar ook aangeraakt, aan hen kon verschijnen ondanks de gesloten deuren. Sommigen worden hierdoor namelijk zo aan het twijfelen gebracht, dat ze bijna in gevaar zijn doordat ze de vooroordelen van hun eigen redeneringen inbrengen tegen de goddelijke wonderen. Zij redeneren als volgt. Als er sprake was van een lichaam, van vlees en botten, als dat wat aan het kruis heeft gehangen uit het graf is verrezen, hoe kon dat dan door gesloten deuren binnenkomen? Als dat niet kon, dan is het – zeggen ze – ook niet gebeurd. Als het wel kon, hoe dan wel? … Denk eens terug aan de wonderen van uw Heer vanaf het begin van zijn leven en probeer ze mij eens één voor één te verklaren. Zonder dat een man haar benaderde, werd een maagd zwanger (Lc 1,31-34) Leg mij eens uit hoe een maagd zonder man zwanger kon worden. … Zie je wel, daar heb je al één wonder: de ontvangenis van de Heer. Luister ook naar het tweede wonder: de bevalling. Een maagd heeft gebaard en is toch maagd gebleven. Toen al, vóór zijn verrijzenis, is de Heer als het ware door gesloten deuren heen ter wereld gekomen!
Uit : Aurelius Augustinus – Als licht in het hart: preken voor het liturgisch jaar. – Baarn 1996. – p. 163 (= sermo 247,2)
