Doop van de Heer, – 11 januari 2026
bij Mt 3,13-17 uit Augustinus’ sermo 52,1
We zien dat onze God zich bij de rivier de Jordaan als Drie-eenheid aan ons vertoont. We kunnen het duidelijk zien: het wordt als een goddelijk schouwspel voor ons opgevoerd. Jezus komt naar Johannes toe en laat zich door hem dopen, de Heer door de dienaar. Hiermee geeft Hij een voorbeeld van nederigheid: Hij laat zien dat gerechtigheid juist in nederigheid wordt vervuld. Johannes zegt dan: “Ik moet mij door U laten dopen, en U komt bij mij?”(Mt 3,14) Waarop Jezus antwoordt: “Laat nu maar, want zo moet de gerechtigheid volledig worden vervuld.” (Mt 3,15) Nadat Hij gedoopt is, gaat de hemel open en daalt de Heilige Geest op Hem neer in de gedaante van een duif. (Mt 3,16) Vervolgens klinkt er een stem van boven: “Dit is mijn geliefde Zoon, in wie Ik vreugde vind.” (Mt 3,17)
We zien hier een soort verscheidenheid binnen de Drie-eenheid: in de stem herkennen we de Vader, in de mens de Zoon en in de duif de Heilige Geest. Ik hoef u daar alleen maar op te wijzen, want het is gemakkelijk te zien. Er is geen twijfel mogelijk, het is volkomen duidelijk: hier wordt de Drie-eenheid opgevoerd. Christus zelf, de Heer, die in de gestalte van een dienaar naar Johannes toekomt, kan niet anders dan de Zoon zijn. Niemand kan zeggen dat Hij de Vader is of de Heilige Geest. “Jezus kwam,” (Mt 3,13) staat er, en Jezus is natuurlijk de Zoon van God. En is er iemand die twijfelt over de duif? Die vraagt: “Wat betekent die duif?” Nee toch? Het evangelie getuigt hier in alle duidelijkheid: “De Heilige Geest daalde over Hem neer in de gedaante van een duif”? En ook over over de stem kan er geen enkele twijfel bestaan. Het is de stem van de Vader die zegt: “Jij bent mijn Zoon.” (Mc 1,11 en Lc 3,22) Het gaat dus om een Drie-eenheid in verscheidenheid. Uit : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs – Amsterdam : Ambo, 2004 – p. 78 (= sermo 52,1).
