24ste zondag door het jaar – 13 september 2026
bij Mt 18,21-35 uit Augustinus’ sermo 83,2:
Deze gelijkenis legt de Heer Jezus ons voor om ons te onderrichten. Hij wil ons waarschuwen en zo voorkomen dat we verloren gaan. “Zo zal ook uw hemelse Vader met u doen,” zegt Hij, “als niet ieder van u zijn broeder van ganser harte vergeeft.” (Mt 18,35) Ziet u, broeders en zusters, de zaak is duidelijk, het is een nuttige waarschuwing. We zijn Hem een bijzonder heilzame gehoorzaamheid schuldig, want dan wordt vervuld wat opgedragen is. Iedereen staat bij God in de schuld, en iedereen heeft ook wel weer een ander die bij hemzelf in de schuld staat. Ieder van ons staat bij God in de schuld, behalve degene die zonder zonden is, die niet. Ieder van ons heeft wel iemand die bij ons in de schuld staat. Alleen als er niemand tegen je zondigt, is er niemand die bij je in de schuld staat. Denkt u soms dat er in het hele mensdom ook maar iemand te vinden is, die ook zelf niet door een zonde aan een ander vastzit?
Iedereen staat dus bij iemand in de schuld en iedereen heeft ook wel weer iemand die bij hemzelf in de schuld staat. Daarom geeft de rechtvaardige God u een richtsnoer voor hoe u moet omgaan met iemand die bij u in de schuld staat. Het is een richtsnoer dat Hijzelf ook zal volgen als iemand bij Hem in de schuld staat: er zijn twee werken van barmhartigheid die ons bevrijden en die de Heer zelf in het evangelie kernachtig heeft omschreven: “Spreek vrij, en u zult vrijgesproken worden. Geef, en u zal gegeven worden.” (Lc 6,37-38) Bij “spreek vrij, en u zult vrijgesproken worden” (Lc 6,37) gaat het om het vergeven. Bij “geef, en u zal gegeven worden” (Lc 6,38) gaat het om het doen van een goed werk.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004, p. 463-464 (sermo 83,2)
