26 juli: 17e zondag

17e zondag door het jaar – 26 juli 2026
bij Mt 13,44-52 uit Augustinus’ sermo 74,1

De evangelielezing spoort me aan, geliefde broeders en zusters, om voor zover de Heer het me ingeeft te be­spre­ken en te verklaren wie de schriftgeleerde is, die leerling is geworden in het rijk van God en die als een huis­vader nieuwe en oude din­gen uit zijn voorraad te­voor­schijn haalt (Mt 13,52). Want dat waren de laatste woor­den van de lezing: de nieuwe en oude dingen van de schrift­­ge­leerde die leerling was geworden in het rijk der heme­len. Het is bekend dat men vroeger, geheel in de lijn van het taalgebruik van on­ze Heilige Schrift, iemand schriftgeleerde noemde omdat hij er zijn be­roep van had gemaakt de wet te ver­kla­­ren en te onderwijzen. Zo iemand werd bij de jo­den schriftgeleerde of wetgeleerde genoemd. En ­een schriftgeleerde is dus niet hetzelfde als een griffier of een ambte­na­ar. We moeten ervoor zorgen dat we niet voor niets naar school gaan, want we moe­ten goed we­ten welke bete­ke­nis we aan de woorden uit de Schrift moeten toe­kennen. Anders zou een toehoorder, wanneer er een woord uit de Schrift klinkt – dat normaal gesproken in een andere, wereldse, bete­kenis wordt gebruikt – op het verkeerde been kunnen worden gezet en niet begrijpen wat hij hoort, omdat hem alleen maar de normale betekenis van dat woord voor ogen staat. Schriftgeleerden, of wet­ge­leerden, wa­ren dus mensen die er hun beroep van hadden gemaakt de wet te verklaren en te onderwijzen. En het behoorde niet alleen tot hun taak om de boeken van de wet te onder­hou­den en te kopiëren, maar ook om ze te bestuderen en te in­ter­­prete­ren.


Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p. 369  (= sermo 74,1)