30ste zondag door het jaar – 25 oktober 2026
bij Mt 22,34-40 uit Augustinus’ sermo 90A,7:
De regel luidt als volgt: U zult uw naaste liefhebben als uzelf (Mt 22,39). Ik zeg niet meer: U zult uw kind liefhebben als uzelf, uw vrouw, de buurman met wie u bevriend bent, of de buurman die iedereen kent. Misschien antwoordt u dan wel: “Die heb ik allemaal lief.” Maar het gaat mij er vooral om te onderzoeken of u zichzelf liefhebt. Dat is de essentie van het hele gebod, daarom draait het hele probleem: je zult je naaste niet kunnen liefhebben als jezelf, zolang je jezelf nog niet liefhebt.
“Bestaat er dan iemand,” zult u vragen, “die zichzelf niet liefheeft?” Ik voor mij zou wel eens iemand willen ontmoeten die zichzelf wel liefheeft! Ik let namelijk niet op hoe een schepsel dwaalt, maar op wat de Schepper leert. Hij heeft ons gemaakt, Hij kent ons beter. Laten we dus naar Hem luisteren. U zei: “Ik heb mezelf lief. Als ik honger heb, geef ik mijn lichaam te eten omdat ik mezelf liefheb, ik wil niet moe worden van de inspanning omdat ik mezelf liefheb, ik wil niet worden gehinderd door gebrek omdat ik mezelf liefheb, ik wil geen koorts hebben omdat ik mezelf liefheb, en ik wil geen pijn lijden omdat ik mezelf liefheb.” Maar dat is allemaal nog niet het bewijs waar ik u om vroeg.
Wilt u horen wat Hij zegt, die u heeft gemaakt? “U hoeft alleen maar te weten hoe goed het is om uzelf heel erg lief te hebben, dan hebt u tenminste de ongerechtigheid niet lief. Want wie de ongerechtigheid liefheeft, haat zijn ziel.” (Ps 10,6) Ik stel u geen vragen, u moet zichzelf vragen stellen. Als u wilt profiteren van andermans ellende, als u wilt dat het een ander slecht vergaat opdat het u goed vergaat, ja, als u het zo wilt, als u dat wilt, dan hebt u de ongerechtigheid lief, dan haat u uw ziel. “En als u uw ziel haat,” zegt de Heer, “kan Ik uw naaste niet aan u toevertrouwen om hem lief te hebben als uzelf. Moet Ik u een ander toevertrouwen om er twee te zoeken? U hebt zichzelf te gronde gericht, zult u Mij dan redden?” In de eerste plaats moet u zichzelf dus liefhebben. Pas dan kunt u uw naaste liefhebben als uzelf.
Uit: Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p. 559-560 (sermo 90A,7)
