18 oktober 29ste zondag

29ste zondag door het jaar – 18 oktober 2026
bij Mt 22,15-21 uit Augustinus’ sermo 90,10: 

Zo moet je vooruitgang boeken. Zo moet de liefde ­groeien en tot volmaaktheid komen. Zo moet de bruiloftskleding worden aan­getrokken. Zo moet het beeld van God waarnaar wij geschapen zijn (Gn 1,26), door onze voort­gang zijn oorspronkelijke vorm herkrijgen. Want door onze zonden was het ­vervaagd van vorm, afgesleten. Hoezo dat, afgesleten en ­vervaagd van vorm? Omdat het de hele tijd over de grond heeft geschuurd. Over de grond schuren, wat betekent dat? Dat het versleten raakt door aardse be­geer­ten. Want het is in zijn aardse wandeling wel het beeld van God, maar dat beeld raakt vertroebeld en vervaagt­ (Ps 38,7). Bij het beeld van God zoek je naar waar­heid, niet naar vaagheid. Door liefde voor de waarheid moet het beeld, waarnaar wij ge­schapen zijn, ­zijn oude vorm herkrijgen, en ­zoals een munt met zijn eigen beeldenaar aan onze Keizer ­­worden teruggegeven (Mt 22,21). 
     Want zo hebt u het gehoord in het antwoord dat de Heer aan de jo­den gaf toen ze Hem op de proef wilden stellen: “Waarom stelt u Me op de proef, huichelaars? Laat Mij de belastingmunt eens zien.” (Mt 22,18-19) Daarmee be­doelde Hij de afbeelding van de keizer en het opschrift. “Laat Mij eens zien waarmee u betaalt, wat u voor de belasting opzij legt en wat u betalen moet. Laat Mij dat eens zien.” En toen lieten ze Hem een denarie zien. Daarop vroeg Hij van wie de afbeelding en het op­schrift waren (Mt 22,20). Ze zeiden Hem: “Van de keizer.” (Mt 22,21) 
     Net als God vraagt die keizer dus om zijn eigen afbeelding. De keizer wil niet dat hem ontglipt wat hij heeft bevolen, God wil niet dat Hem ont­glipt wat Hij heeft gemaakt. De keizer, broeders en zusters, heeft zelf nooit geld gemaakt. Dat doen de muntmeesters voor hem. Het wordt aan vaklieden opgedragen. Hij laat het dus aan zijn die­naren over. Op het geld staat de afbeel­ding van de keizer. Maar toch vraagt hij om iets wat an­deren erop gezet hebben. Hij is het die spaart, hij wil niet dat hem onthouden wor­dt wat hem toekomt. De munt van Christus is de mens. Daarop staat de afbeelding van Christus, de naam van Christus, de zending van Christus en de taken van Christus. 


Uit: : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs, – Amsterdam : Ambo 2004 (- Budel : 2010), p. 553-554 (sermo 90,10)