7 juni: 10e zondag

10e zondag door het jaar – 7 juni 2026
bij Mt 9,9-13 uit Augustinus’ sermo 80,4 

Christus is naar de zieken gekomen en Hij moest vaststellen dat allen ziek waren. Vlei jezelf niet met de gedachte dat je gezond bent. ­Als je tenminste niet door de dokter weggestuurd wilt worden. Chris­tus heeft moeten vaststellen dat iedereen ziek was. “Want allen hebben gezondigd en allen zijn verstoken van de godde­lijke heerlijkheid,” zegt de apos­tel Paulus (Rom 3,23). Christus heeft dus vastgesteld dat iedereen ziek ­­was. Toch was er wel een onderscheid, er waren twee soorten zieken.­­­ Som­migen gingen naar de dok­ter, klampten zich aan Christus vast, luis­terden naar Hem, eerden Hem, volgden Hem en be­keer­den zich. Christus ontving hen allemaal en genas hen zonder de minste weerzin. ­­­­­En daar liet Hij zich niet voor be­talen, want Hij behandelde hen vanuit zijn al­macht. Daar­om waren ze ook zo op­ge­togen toen Hij hen op­nam en hen met zichzelf verbond om hen te genezen.
     De anderen echter, de zieken die hun verstand al verloren hadden door de ziekte van de zonde en die niet wisten dat ze ziek wa­ren, dreven de spot met de dokter omdat Hij de zieken opnam. Ze vroe­gen aan zijn leer­lin­gen: “Ziet u niet wat voor iemand uw mees­ter is, iemand die met zon­daars en tollenaars zit te eten?” (Mt 9,11) Maar de Heer, die heel goed wist wat zij voorstelden en wie ze waren, ant­woordde hun: “Niet de gezonden hebben een dok­ter nodig, maar dege­nen die er slecht aan toe zijn.” (Mt 9,12; vgl. Mc 2,17 en Lc 5,31) En zo maakte Hij hun duidelijk wie er gezond waren en wie ziek. “Ik ben niet gekomen om recht­vaar­digen te roe­pen, maar zondaars,” (Mt 9,13; vgl. Mc 2,17 en Lc 5,32) zei Hij. “Als de zondaars niet naar Mij toe­komen,” bedoelt Hij, “waarom zit Ik hier dan? En voor wie?” Als ie­dereen gezond is, waarom is er dan zo’n gro­te dokter uit de hemel neer­gedaald? En waarom heeft Hij dan niet een geneesmiddel uit zijn apotheek gehaald, maar het van zijn eigen bloed gemaakt?
     De eerste soort dus, de zieken die niet zo ernstig ziek wa­ren maar wel voelden dat ze ziek waren, klampten zich aan de dok­ter vast om zich te laten genezen. Maar de tweede soort, de zie­ken die in levensgevaar ver­keer­den, beledigden de dokter en hoonden de andere zieken. En hoever gingen ze tenslotte in hun krankzinnigheid? Zover dat ze de dokter oppakten (Mt 26,50 en Mc 14,46), vastbon­den (Joh 18,12), gesel­den (Mt 27,26 en Mc 15,15), Hem een door­­nenkroon op het hoofd zetten (Mt 27,29 en Mc 15,19) en Hem aan het kruis­hout hingen (Mt 27,35, Mc 15,24, Lc 23,33 en Joh 19,18). Dat verbaast u, nietwaar? Een zie­ke die zijn dokter doodmaakt, en dat terwijl de dokter de zieke ge­neest van de krankzinnigheid, door zich te laten doden!

uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94], Amsterdam 2004, p. 428-429 ( = sermo 80,4)