28e zondag door het jaar – 10 oktober 2027
bij Mc 10,27-30 uit Augustinus’ sermo 86, 1-3
In de lezing van zojuist heeft het evangelie me aangespoord om het met u te hebben over de hemelse schat (Mc 10,21), geliefde broeders en zusters. Natuurlijk heeft onze God, in weerwil van wat hebzuchtige ongelovigen denken, nooit gewild dat we ons bezit zouden prijsgeven. Als we dat wat ons is voorgeschreven, goed begrijpen, eerbiedig geloven en van harte aanvaarden, dan zien we dat Hij ons niet voorschrijft om het prijs te geven, maar dat Hij ons een plaats aanwijst om het te deponeren. Want het enige wat mensen doen, is aan hun schat denken, en langs een of andere weg in het hart achter hun rijkdom aanlopen. Wordt hun rijkdom in de grond gestopt, dan neigt hun hart naar de diepte, wordt hij in de hemel bewaard, dan verheft hun hart zich. […]
We hoorden een rijke jongeman de goede meester om raad vragen over hoe hij het eeuwige leven kon verkrijgen (Mc 10,17). Dat waar zijn liefde naar uitging, was kostbaar; dat wat hij niet los durfde te laten, was waardeloos. Hij luisterde dus met een verwrongen hart naar Hem die Hij al zijn goede meester had genoemd, en zo kon het gebeuren dat hij het bezit van de liefde verloor: zijn passie voor het waardeloze was te groot (Mc 10,22). Maar toch vroeg hij om raad over hoe hij het eeuwige leven kon verwerven. Dat zou hij nooit hebben gedaan als hij de wil niet had gehad om het eeuwige leven te verwerven.
Hoe komt het dus, broeders en zusters, dat hij de woorden van Hem die hij eerst nog wel zijn goede meester had genoemd op grond van de betrouwbare leer die hem was voorgehouden, nu ineens afwees? Was de meester soms eerst goed, voordat Hij hem antwoord gaf? En daarna slecht? Voordat de meester antwoord gaf, werd Hij goed genoemd. Maar… de rijke jongeman kreeg niet te horen wat hij wilde horen, maar wat hij moest horen. Hij was vol verlangen gekomen, maar hij ging teleurgesteld weg. Als hij al teleurgesteld wegging omdat er werd gezegd: “Ga verstandig om met je bezit,” dan kun je nagaan wat er zou zijn gebeurd als er tegen hem was gezegd: “Geef je bezit prijs.”
“Ga,” zei de Heer, “verkoop alles wat je bezit, en geef het aan de armen.” (Mc 10,21) Bent u soms bang dat u uw bezit kwijtraakt? Luister naar wat volgt: “Daarmee zul je een schat in de hemel hebben.”(Mc 10,21) Om uw schatten voor u te bewaken had u misschien een eenvoudige dienaar aangesteld: de bewaker van uw goud zal niemand minder dan uw God zijn. Hij die het u op aarde gegeven heeft, bewaart het voor u in de hemel. Misschien zou de rijke jongeman niet hebben geaarzeld om dat wat hij bezat aan Christus toe te vertrouwen, maar raakte hij zo teleurgesteld omdat er tegen hem werd gezegd: “Geef het aan de armen.” Alsof hij bij zichzelf zei: “Als U had gezegd: ‘Geef het aan Mij, dan zal Ik het voor jou in de hemel bewaren,’ dan zou ik niet geaarzeld hebben om het aan mijn Heer te geven, mijn goede meester. Maar nu zegt U: ‘Geef het aan de armen.'”
Niemand mag schromen om het aan de armen te besteden. En niemand mag denken dat degene het krijgt, die hij de hand ziet ophouden. Wie het in werkelijkheid krijgt, is Hij die u maant om te geven. En dit zeg ik niet op eigen gezag of op grond van een menselijke gissing. Luister naar Hemzelf als Hij u maant en een kwitantie voor u uitschrijft. “Ik had honger,” zegt Hij, en jullie hebben Mij te eten gegeven.” (Mt 25,35) En toen de rechtvaardigen, nadat Hij al hun goede werken had opgesomd, vroegen: “Wanneer zagen wij U dan hongerig,” (Mt 25,35) antwoordde Hij: “Wat jullie voor een van deze minsten van Mij hebben gedaan, hebben jullie voor Mij gedaan.” (Mt 25,40) De arme bedelt erom, maar het is God, de Rijke, die het krijgt. U geeft het aan iemand om het op te maken, maar het is de Rijke die het krijgt om het u weer terug te geven. En u zult zien dat Hij niet alleen zal teruggeven wat hij krijgt, maar dat Hij ook rente wil uitkeren. Hij belooft u meer dan u hebt ingelegd. Kom nu maar voor de dag met uw hebzucht, doe nu maar alsof u een woekeraar bent.
Uit: Aurelius Augustinus, Van aangezicht tot aangezicht; – Amsterdam 2004 / Budel 2011, p. 479-481.
