14 mrt 5de zondag 40dagentijd

5de zondag van de veertigdagentijd – 14 maart 2027
bij Joh 12,20-33 uit Augustinus’ sermo 368,1:
Broeders en zusters, toen zojuist het evangelie werd voorgelezen hoorden wij de Heer zeggen: “Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem.”(Joh 12,25)  Deze uitspraak lijkt in tegenspraak met die van de apostel Paulus: “Niemand heeft ooit zijn eigen lichaam gehaat.”(Ef 5,29)  Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, dan heeft al helemaal niemand ooit zijn eigen ziel gehaat. De ziel is toch veel belangrijker dan het lichaam. De ziel is de bewoner, het lichaam de woning. De ziel is de meester, het lichaam de knecht. De ziel is de leider, het lichaam de ondergeschikte. Als niemand ooit zijn eigen lichaam heeft gehaat, wie kan dan ooit zijn eigen ziel gehaat hebben?
     Daarom is het geen geringe kwestie die de evangelielezing van vandaag ons heeft voorgelegd. We hoorden: “Wie zijn ziel liefheeft, verliest hem.” (Joh 12,25) Het is gevaarlijk om van je ziel te houden: dan gaat hij verloren. Als het gevaarlijk is om van je ziel te houden, omdat die dan verloren kan gaan, moet je er dus niet van houden. Je wilt toch niet dat hij verloren gaat? Maar ja, als je niet wilt dat hij verloren gaat, houd je ervan! Hoe zit dat? Als ik van mijn ziel houd, verlies ik hem. Ik moet er dus niet van houden om hem niet te verliezen. Omdat ik bang ben hem te verliezen houd ik er niet van. Maar als ik iets niet wil verliezen, dan houd ik daar toch van?
     Op een andere plaats zegt de Heer: “Wat zal het een mens baten als hij de hele wereld wint, maar schade lijdt aan zijn ziel?” (Mt 16,26) Kijk, je moet zo van je ziel houden dat je die boven het winnen van de hele wereld stelt. Van de andere kant, wie van zijn ziel houdt moet uitkijken, want als hij ervan houdt verliest hij hem. Je wilt je ziel niet verliezen? Dan mag je er niet van houden. Maar als je hem niet wilt verliezen dan móet je er wel van houden.
     Uit: Aurelius Augustinus – De weg komt naar u toe: preken over teksten uit het Johannesevangelie; – Budel: Damon, 2011, p. 343