4de zondag van de paastijd – 18 april 2027
bij Johannes 10,11-18 uit Augustinus’ sermo 137,4:
Toen het evangelie werd voorgelezen hebt u het gehoord: “Wie door de deur naar binnen komt is de herder. Wie ergens anders naar binnen klimt is een dief en een rover. Die probeert alleen maar om het vee te verspreiden en uiteen te drijven en mee te nemen.” (Joh 10,2.8-10) Wie komt binnen door de deur? Hij die binnenkomt door Christus. Wie is dat dan? Hij die het lijden van Christus navolgt en de nederigheid van Christus erkent. Ook al is God voor ons mens geworden, wij mensen moeten erkennen dat we zelf geen God zijn maar mensen. Wie God wil lijken terwijl hij mens is, is geen navolger van Hem die mens werd hoewel Hij God was.
Er is u niet gezegd: “Wees kleiner dan u bent,” maar: “Erken wat u bent. Erken dat u zwak bent, een mens, een zondaar. Erken dat de Heer rechtvaardig maakt en dat u bevlekt bent.” Toon bij uw belijdenis de vlekken van uw hart, dan zult u bij de kudde van Christus horen. Wie zijn zonden belijdt vraagt aan een dokter om hem te genezen. Het gaat net als bij ziekte: wie zegt “ik ben gezond” gaat niet op zoek naar een dokter. […] Mensen die zich verheffen willen langs een andere kant de schaapskooi binnenklimmen. Mensen die zich vernederen komen door de deur de schaapskooi binnen. Daarom wordt van de een gezegd “hij komt naar binnen” en van de ander “hij klimt naar binnen”. Wie klimt, wie de hoogte zoekt – u ziet het voor u – komt niet binnen maar valt binnen. Maar wie zich bukt om door de deur naar binnen te gaan valt niet binnen, nee, hij is de herder.
Uit: Aurelius Augustinus – De weg komt naar u toe: preken over het Johannesevangelie; – Budel : Damon 2007, p. 248-249.
