3de zondag van de veertigdagentijd – 8 maart 2026
bij Joh 4,5-42 uit Augustinus’ Io.eu.tr. 15,6-7
Om u heeft Jezus zich door de tocht laten vermoeien. Wij kennen Jezus als krachtig en wij kennen Jezus als zwak; jazeker, krachtig en zwak. Als krachtig, want in het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. Het was in het begin bij God (Joh 1,1-2). Wilt u zien hoe krachtig die Zoon van God is? Alles is door Hem gemaakt en zonder Hem is niets gemaakt (Joh 1,3). Zonder inspanning is het door Hem gemaakt. Wat is er nu sterker dan Hij door wie zonder inspanning alles is gemaakt?
Wilt u weten waarin Hij zwak was? Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond (Joh 1,14). De kracht van Christus heeft u geschapen, de zwakte van Christus heeft u herschapen. De kracht van Christus heeft gemaakt dat wat niet was, zou worden. De zwakte van Christus heeft gemaakt dat wat was, niet verloren zou gaan. Zo heeft Hij ons geschapen in zijn kracht, ons gezocht in zijn zwakte.
In zijn zwakte verzorgt Hij dus zelf de zwakken, zoals een hen haar kuikens. Hiermee heeft Hij zich immers vergeleken: “Hoe vaak,” zegt Hij tot Jeruzalem, “heb Ik je kinderen niet bijeen willen brengen zoals een hen haar kuikens verzamelt onder haar vleugels? Maar jullie hebben het niet gewild.” (Mt 23,37) En u ziet wel, broeders en zusters, hoe een hen zwak wordt om haar kuikens. Aan geen andere vogel kun je afzien dat het een moedervogel is. De eerste de beste mus zien wij onder onze ogen een nest bouwen, en zwaluwen, ooievaars en duiven zien wij dat dagelijks doen. Maar voordat wij ze dan eindelijk op hun nest zien zitten, beseffen wij niet dat ze kleintjes hebben. Maar de hen stelt zich temidden van haar kuikens zo zwak op dat, ook al komen de kuikens niet achter haar aan en zie je de kleintjes niet, je haar toch als moeder herkent. Met haar vleugels omlaag, haar verwarde veren, haar hese keelgeluid, helemaal uitgezakt en verslonst, ziet zij er zó uit dat je er, zoals ik zei, toch de moeder uithaalt, zelfs al zie je geen kleintjes.
Zo was Jezus dus zwak, vermoeid van de tocht. Zijn tocht is het lichaam dat Hij terwille van ons aangenomen heeft. Want hoe kan Hij, die overal is en op geen enkele plaats niet is, anders een tocht maken? Wat heeft zijn gaan ergens heen, zijn komen ergens vandaan te betekenen, als het niet was om tot ons te komen, als het niet was om een zichtbaar lichaam aan te nemen? Omdat Hij dus zo goed was op zo’n manier naar ons te komen, dat Hij een lichaam aannam en zich in de gestalte van een slaaf (Fil 2,7) liet zien, is dit aannemen van een lichaam zijn tocht. Maar dan betekent “vermoeid van de tocht” dus niets anders dan “vermoeid van lichaam.” Jezus is zwak door zijn lichaam, maar u mag niet zwak worden. U moet juist sterk zijn in zijn zwakheid, want de zwakheid van God is sterker dan de mensen (1 Kor 1,25).
Uit: Aurelius Augustinus – Geef mij te drinken: verhandelingen over het Johannesevangelie. – Budel: Damon, 2010.- p. 310 (= io.eu.tr. 15,6-7)
