1ste zondag van de Advent

29 november 2026
bij Mc 13,33-37 uit Augustinus’ sermo 18,1-2:

Christus de Heer, onze God, de Zoon van God, is bij zijn eerste komst in verborgenheid gekomen. Maar bij zijn tweede komst zal Hij duidelijk zichtbaar komen. Toen Hij in verborgenheid kwam, hebben alleen zijn dienaren Hem waargenomen. Bij zijn zichtbare komst zullen alle mensen Hem waarnemen, de goede en de slechte. Toen Hij in verborgenheid kwam, is Hij gekomen om te worden geoordeeld. Bij zijn zichtbare komst zal Hij komen om zelf te oordelen. Welnu. toen Hij indertijd werd geoordeeld, heeft Hij zich stilgehouden. Daarover had een profeet voorzegd: “Zoals een schaap dat naar de slachtbank is geleid, zoals een lam dat oog in oog met zijn scheerder stond, heeft Hij zijn mond niet opengedaan.” (Js 53,7) Maar God zal duidelijk zichtbaar komen, onze God, en Hij zal zich niet stilhouden (Ps 49 (50),3). Anders dan toen Hij nog moest worden geoordeeld, zal Hij zich niet stilhouden wanneer Hij zelf zal oordelen. Ook nu houdt Hij zich niet stil voor wie naar Hem luistert. (…)

Wat God heeft beloofd wordt nu nog niet zichtbaar gemaakt. Waarmee Hij dreigt is nu nog niet te zien. En daarom lachen ze om wat Hij gebiedt. Zowel goede als slechte mensen kennen voorspoed en tegenspoed. Mensen die geloven in wat er nu is en niet geloven in wat er later komt, stellen vast dat goede en slechte dingen van deze tijd willekeurig zowel goede als slechte mensen treffen. Als ze rijkdom wensen, zien ze dat zowel heel slechte als goede mensen rijkdom bezitten. Maar als ze de armoede en de ellende van deze tijd verafschuwen, zien ze ook dat niet alleen de goede mensen onder de ellende hier te lijden hebben, maar ook de slechte. En dan zeggen ze bij zichzelf dat God niet omkijkt naar de belangen van de mensen en dat Hij zich daar niet mee bezighoudt, maar dat Hij ons, die in de verste regionen van deze wereld liggen, aan ons lot overlaat en zich verder niet meer om ons bekommert. En zo komt het dat ze zich niets van zijn gebod aantrekken. Ze zien namelijk aan geen enkel duidelijk teken dat er ook maar zoiets als een oordeel bestaat.

Toch moet je ook nu beseffen dat God naar je omkijkt en over je oordeelt wanneer Hij dat wil, en dat Hij zijn oordeel niet uitstelt. Maar God kan zijn oordeel, wanneer Hij dat wil, ook wèl uitstellen. Waarom Hij dat zou doen? Als God in het hier en nu over niets zou oordelen, geloofde je dat Hij niet bestond. Als God in het hier en nu over alles zou oordelen, bleef er niets meer voor het laatste oordeel bewaard. Voor het laatste oordeel wordt een groot aantal zaken bewaard, maar over een paar dingen wordt er al in het hier en nu geoordeeld. Daarmee hoopt God te bereiken dat degenen van wie het oordeel wordt uitgesteld, bang worden en zich bekeren. Want God houdt er niet van om te veroordelen. Hij wil het liefst redden (Joh 12,47). Met de slechte mensen heeft Hij zoveel geduld omdat Hij hen tot goede mensen wil maken. Zo zegt de apostel Paulus dat de toorn van God zich over alle ongeloof zal openbaren (Rom 1,18), en dat God ieder mens naar zijn daden zal belonen (Rom 2,6). En als de mens zich daar niets van aantrekt, spreekt hij hem op verwijtende toon toe: “Veracht u zijn rijkdom aan goedheid en lankmoedigheid soms?” (Rom 2,4) Hij is goed voor u, want Hij is lankmoedig, Hij benadert u vol geduld, Hij stelt uw zaak uit in plaats van u te laten vallen, en ú veracht Hem. Sterker nog, u denkt dat er geen oordeel van God bestaat, omdat u niet weet dat het geduld van God u tot inkeer wil brengen (Rom 2,4). Maar doordat u zo hard bent, maakt u dat de voorraad straf waartoe God u veroordeelt op de dag dat Hij zijn rechtvaardig vonnis uitspreekt en uitvoert, alleen maar groter wordt (Rom 2,5). God zal ieder mens belonen naar zijn daden (Rom 2,6).

Uit: Joost van Neer, Martijn Schrama O.S.A. en Anke Tigchelaar, Aurelius Augustinus – Schatkamer van het geloof : preken over teksten uit het Oude Testament. – Budel : Damon 2013, p. 307-309.