22 feb: 1ste zondag 40dagentijd

1ste  zondag van de veertigdagentijd – 22 februari 2026
bij Mt 4,1-11 uit Augustinus’ sermo 51,32

Het getal veertig springt in het oog. In de Heilige Schrift be­staat immers de gewoonte om in ronde getallen te denken. Wat daarboven uitgaat telt vaak niet mee. Zo zou het volk van Israël na vier­honderd jaar uit Egypte zijn te­ruggekeerd, terwijl het eigenlijk pas na vier­honderd­der­tig jaar was (Vgl. Gn 15,13 en Hnd 7,6 met Ex 12,40). Zo doet die ene generatie die bij Mat­te­üs boven het getal veer­tig uitgaat, geen afbreuk aan het belang van dit getal. Het ge­tal veertig slaat op het zwa­re leven dat we hier op aarde leiden, zo­lang we in den vreemde zijn, ver van de Heer (2 Kor 5,6). Een leven waarin de waarheid ons in de vorm van een bepaalde tijd moet wor­den verkon­digd. Tien is het getal van het volmaakte ge­luk, vier staat voor de vier jaar­getijden en de vier wind­richtin­gen. Tien maal vier is veer­tig. Daarom heeft Mozes veertig dagen gevast (Dt 9.9), en Elia (1 K 19,8), en de Mid­delaar, onze Heer Jezus Christus, ook (Mt 4,2). Dat be­te­kent dat wij in de­ze tijd hier op aarde niet moeten ingaan op wat ons li­chaam aanlok­ke­lijk vindt. Veertig jaar zwierf het volk door de woes­tijn (Nu 32,13). Veer­tig dagen duurde de zondvloed (Gn 7,4). Veertig da­gen bracht de Heer na zijn verrij­zenis met zijn leerlingen door om hen ervan te overtuigen dat zijn lichaam echt verrezen was (Hnd 1,3). Zoals gezegd gaf Hij daar­mee het geheim van het getal veertig aan in dit leven, waarin we ver van de Heer zijn. Het betekent dat wij moeten blijven denken aan de dood van de Heer, en dat doen we in de kerk totdat Hij komt (1 Kor 11,26).
Uit : Aurelius Augustinus – Van aangezicht tot aangezicht: preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs. – Amsterdam : Ambo, 2004 – p.74  (= sermo 51,32)