2de zondag van de Advent

6 december 2026
bij Mc 1,1-8 uit Ambrosius’ uitleg van het Lucasevangelie 2,69-73:

De heilige Matteüs en de heilige Marcus hebben Johannes de Doper als een profeet kenbaar willen maken met zijn kleding, gordel en voedsel: Johannes droeg een kleed van kameelhaar en een leren gordel om zijn middel. Hij at sprinkhanen en wilde honing (Mc 1,6). De voorloper van Christus duldde namelijk niet dat de vacht van onreine dieren verloren ging en gaf zo al met zijn kleding aan dat de komst van Christus aanstaande was. Christus zou de zonden van het onreine heidendom op zich nemen: zonden die lijken op een dier in het wild en doortrokken zijn van vuil naar gelang van onze wanstalige vergrijpen. Hij zou pas, om zo te zeggen, de bekleding van ons vlees afleggen op het overwinningsteken van het kruis.

Wat wil de leren gordel die Johannes om zijn middel droeg, anders zeggen dan dat tot dan toe het vlees de geest gewoonlijk tot last was geweest. Sinds de komst van de Heer diende het vlees niet als hinderlijke bagage maar juist als band die helpt dragen. Wij hebben volgens David onze citers aan de wilgen gehangen (Ps 136 (137),2), en wij stellen volgens Paulus geen vertrouwen in het vlees en toch weer wel in het lichaam (Fil 3,3): geen vertrouwen namelijk in de lusten ervan, maar wel in het lijden ervan. Want de vurigheid van geest (Rom 12,11) is krachtdadig en wij omgorden ons tot het volledige onderhouden van de geboden uit de hemel. Daarop blijven we met geestelijke aandacht gespitst, niet gehinderd door ons lichaam en door alles wat daarmee samenhangt.

Ook het voedsel van de profeet Johannes duidt op zijn ambt en kondigt een geheim aan. Wat toch is zo zinledig voor een mens in zijn ambt als het opzoeken van sprinkhanen. Maar wat is zo vol zin voor het geheim van een profetisch optreden? Sprinkhanen zijn schadelijk voor de oogst, nutteloos voor gebruik, schichtig bij aanraken, onberekenbaar in hun sprongen en maken met de snuit hun sjirpende geluid. Hoe meer ze dat doen, des te beter kan men er de heidenen mee in verband brengen: ze arbeidden zonder resultaat, werkten zonder opbrengst, hadden nauwelijks betekenis, lieten zonder woorden hun klachten en klagen horen en kenden niet het levende Woord. Dat volk nu is voedsel voor profeten, want hoe talrijker mensen samenstromen, des te meer effect sorteert de mond van de profeet.

Ook de genade van de kerk heeft een voorafbeeling: wilde honing. Die wordt niet gevonden in de bijenkorf van de wet door de groeikracht van het joodse volk, maar ligt door het dwalen van de heidenen overal verspreid in de velden en onder het gebladerte van het woud volgens het Schriftwoord: “Wij vonden de ark in de velden van het woud.” (Ps 131 (132),6) Johannes at de wilde honing om daarmee aan te kondigen dat de volken verzadigd moesten worden met honing uit de rots zoals geschreven staat: “Uit de rots verzadigde Hij hen met honing.” (Ps 80 (81),17) Zo hebben ook raven Elia in de woestijn gevoed met spijs die zij van verre aanvoerden, en met kostbaar water (1 K 17,6): dit moest erop wijzen dat heidenvolken, overtrokken met de zwarte doodskleur van hun misdadig gedrag, voorheen voedsel zochten tussen riekende lijken maar nu zichzelf, als uit het buitenland gehaald voedsel, de profeten zouden aanbieden. Want het voedsel van de profeten is het volvoeren van Gods wil zoals de Heer zelf heeft verklaard toen Hij zei: “Mijn voedsel is de wil doen van Hem die Mij gezonden heeft.” (Joh 4,34)

Uit: Peter Eijkenboom S.J., Fried Pijnenborg S.J. en Hans van Reisen, Ambrosius van Milaan – Zingen met mijn geest en ook met mijn verstand: uitleg van het evangelie volgens Lucas; – Budel : Damon 2005, p. 123-125.